Het
wonderlijke relaas
van verzetsstrijder Piet van Haaren
over het
begin van de oorlog
Relaas van Piet van Haaren,
opgetekend tijdens een interview: 16 december 2002 te Oirschot.
Petrus Antonius Gerardus van Haaren,
Geboren: 3 augustus 1915.

'n Woordje vooraf:
Ik was reeds, als knaap
van 16 jaar, in het bezit van een zweefvliegbewijs en ben destijds zweefvlieger
geweest (daar waren ze thuis niet zo blij mee, ook al omdat ik de enige zoon
was). Ik ben ook bij de opening geweest van het vliegveld Welschap, bij
Eindhoven. Daar deden ze toen ook aan stuntvliegen. Een van hen was Anna
Reitze. Dat was 'n heel klein vrouwke van 1,63 meter, 'n dapper ‘ding!’ Die kon
nou eens echt stuntvliegen, die schoot de ‘stukken’ uit de lucht. Later is zij
door Hitler gevraagd om de eerste V-1 in te vliegen. In m'n diensttijd heb ik
mij bekwaamd als scherpschutter en gewoon handgranaatwerper. In de oorlog werd
ons 17e in Neer: 't 41e regiment. Ook beschikte ik in Neer reeds over m'n
motorrijwiel DKW 125 cc. Mijn aantekeningen uit die tijd en mijn Kodak
fototoestel ben ik helaas kwijtgeraakt.
Ik was gelegerd in Neer
bij Roermond bij het 41e regiment infanterie. Ik was aangesteld als schrijver
bij de compagniescommandant. Ik was gewoon soldaat en ik heb daar al die tijd
gezeten. Ik werd ingekwartierd en mijn bureau was net tegenover mijn
kwartierplaats. Daar was ik ook in de kost, het grootste gedeelte. Ik was daar
bij van Kessel, 'n kleermaker/koster in Neer en diens zoon was organist. Ik ben
daar al die tijd geweest. Tegenover de kerk was het Gemeentehuis, daar zat ik
op kantoor, dat was het compagniesbureau. Ik had daar ‘n hele leuke tijd. Af en
toe werd ik als extra hulp in de keuken gevraagd, ik was banketbakker/kok.
Omdat ik op 't bureau zat
kreeg ik een karabijn met 5 en 'n FM-pistool met 10 patronen. Op 'n gegeven
moment kwamen ze met 'n militaire vrachtwagen handgranaten afleveren, 2
soorten: voor verdedigings- en aanvalsuitvoeringen. De slagpijpjes werden uit
veiligheidsoverwegingen er apart bijgeleverd. Die slagpijpjes zaten in ronde
blikjes tussen het zaagsel. De granaten zaten in grote houten kisten. Dat kon
geen kwaad, omdat de slagpijpjes er niet in zaten. Mijn kameraden hadden nooit
geoefend om granaten te vullen met slagpijpjes en dat durfden ze daarom ook
niet. Omdat ik er wel buitengewoon goed in geoefend was, deed ik dat toen op
verzoek van kapitein van der Belt: "och, dat kan van Haaren wel, die is
bij de Landstorm geweest." Daarna waren de granaten gebruiksklaar. De
verdedigingshandgranaten waren van die dikke uitvoeringen waar veel grote
groeven inzaten. De aanvalsgranaten waren glad, die waren op vermindering van
luchtweerstand bewerkt en kon je daarom verder weggooien.
Eind 1939 kwam er ook ‘n
commandowisseling. Bij ons werd kapitein van der Belt omgewisseld voor kapitein
Hoffmann, de nieuwe compagniescommandant. Voor mijn begrip, maar niet
uitgesproken, een bedenkelijke naam. Ondertussen bleef de al maandenlange
geruchtenstroom aanhouden over NSB-ers, vijfde colonne en spionage. Op 'n dag
bemerkte ik 'n paar voor mij vreemde kerels met ’n fototoestel, die onze
kazemat bij het veerhuis aan de Maas aan het fotograferen waren. Ik heb dit
gemeld aan de commandant. Dit scheen echter weinig of geen indruk op hem te
maken met de woorden: "iedereen mag bij de Maas en het veerhuis foto’s
maken, het is door niemand verboden." Maar ik had daarover mijn
bedenkingen, echter niet uitgesproken en daar bleef het bij. Begin mei 1940, op
7 en 8 mei, werd verteld dat er Duitse soldaten bezigwaren langs de grens om
prikkeldraadversperringen op te ruimen. Dat was maar 'n paar kilometer van Neer
verwijderd en het veer over de Maas in de richting Swalmen, waar ook 'n grote
fabriek van prikkeldraad gevestigd was. Ik vroeg aan kapitein Hoffmann:
"krijg ik van U verlof om met mijn motor naar de grens te rijden, met m'n
Kodak fototoestel om foto's te maken van de Duitse
opruimingswerkzaamheden?" Hij keurde aanvankelijk mijn verzoek af, maar ik
bleef aandringen.
----------
Er waren nog andere
officieren en onderofficieren die 't er mee eens waren, omdat we dan te weten
zouden komen of de geruchten klopten. kapitein Hoffmann gaf onder voorbehoud
toestemming. “Je moet een sergeant meenemen want ik vind het gevaarlijk.” Ik
beloofde niet te dicht bij de grens te komen om foto's te maken. De commandant
stelde voor dat we beiden ’n FN-pistool zouden meenemen, waarin een houder met 9
patronen zat. Dat weigerde ik en zei: "wij gaan ongewapend, omdat als we
ongewapend zijn, ze niet op ons durven te schieten, want dan komt er echt
oorlog." Mijn begeleider, sergeant Bosch, was het daar ook mee eens. Toen
zijn we daar bij Neer, naar Helden overgestoken. Op enige afstand van de grens
zijn we afgestapt en hebben foto's gemaakt van de Duitse werkzaamheden. Opeens
was er niemand meer te zien. Ik heb nog geroepen zodat ze 't goed konden horen:
"komm mal her, wir sind Freunde." Maar niemand liet zich nog zien.
Wij hebben dus gezien dat de geruchten werkelijkheid waren en dat hebben we aan
de commandanten doorgegeven.
Ook kon ik maar niet
begrijpen waarom de onderofficieren, die munitie moesten uitreiken, aan
soldaten die zich moesten verdedigen, schieten op invallers, vijanden dus, maar
met één houder met vijf scherpe patronen werden weggestuurd...? Uitreiking van
handgranaten heeft volgens mij helemaal niet plaatsgevonden. Ik kon mij zelf
bevoorraden, omdat ik de juiste plek wist van opslag, namelijk de gevangeniscel
in ’t gemeentehuis. Van hieruit kon ik mij, ongevraagd, bevoorraden en me voorzien van tien of twaalf handgranaten van
beide soorten. Inmiddels was er eigenlijk al 'n dreiging van dat er iets zou
gebeuren. Op 10 Mei 1940 begon voor ons de oorlog. 's Morgens om 04.30 uur
hadden de Duitsers de spoorbrug bij Roermond al veroverd, met een Nederlandse
trein en in Nederlandse uniformen geklede Duitse militairen.
Wij konden de
beschietingen in Roermond goed horen, vooral van het zware geschut wat ik nog
nooit had gehoord. Wij waren de hele nacht al paraat na de telefonische
berichten welke steeds binnenkwamen: Duitse troepen zijn de grens overgestoken,
beschietingen en bombardementen met vliegtuigen en parachutisten met
snelvuurwapens. Ik werd door de compagniescommandant aangesteld als
motorordonnans en kreeg 'n karabijn met vijf patronen en ’n FN- pistool met
negen patronen. Toen ik protesteerde tegen te weinig munitie werd tegen mij
gezegd: "jij hoeft niet van je wapens gebruik te maken, onze compagnie
trekt zich op bevel terug naar Heythuizen, voorbij Roggel en we moeten ons daar
melden zodra de Duitsers over de Maas getrokken zijn."
Ik heb toen onder protest
van de officieren mijn gasmasker uit de tas op 't bureau gesmeten en heb deze
tas gevuld met handgranaten, daarna ben ik met de motor naar de Maaslinie
gegaan. Ik stelde mij verdekt op achter 'n klein kapelletje in de buurt van de
kazemat, welke al bezet was met één mitrailleurschutter en twee helpers. Deze
drie mensen ongeveer 30 tot 35 jaar oud waren Rotterdammers en vrienden van
elkaar. Trouwens, wij waren allen vrienden en bekenden van elkaar geworden. De
drie verdedigers in de kazemat waren opgesloten door 'n hangslot aan de
achterkant van 'n ijzeren toegangsdeur. Ze hadden jonge of oude klare. Die
konden ze gebruiken als ze zenuwachtig werden, 't was daar zo ontzettend
gevaarlijk! Aan de overkant van de Maas zag ik, toen het licht begon te worden,
'n stuk Duits geschut, getrokken door vier paarden. Ik wist nog van vroeger: als
je 'n paard wil doodschieten moet je het in de borst treffen, boven de eerste
benen. Ik schoot op 't eerste paard en raak... Het viel op de grond en er ging
'n gejuich op van enkele collega-soldaten. Ik schat acht tot tien soldaten, die
hadden gezien dat ik raak had geschoten. Toch zagen de Duitsers kans om achter
'n boerderij te verdwijnen. Even later begonnen zij met hun kanon op onze
kazemat te schieten.
----------
En toen begonnen ze te
schieten! Ik had nog nooit een kanon horen schieten! Ze schoten, na vier of
vijf keer richten, precies in het schietgat van de kazemat. Die mensen die erin
zaten, zijn meteen geraakt. Ze konden er niet uit, vanwege dat hangslot! Ze
moesten er blijven zitten! Je hoorde ze schreeuwen! Wij hoorden onze vrienden
daarbinnen gillen en kreunen, wij konden niets doen... Dan zijn er twee dingen
die bij je overkomen. Of... je hebt schrik en je gaat vluchten, of je wordt des
duivels en dat gevoel had ik... Ik werd des duivels. Geloof niet dat je dat
zelf kunt regelen.
Toen kwamen de Duitsers
met rubberboten aanvaren over de Maas! Rubberbootjes met twee man en een
mitrailleur. Ik begin daar op te schieten ... en raak ook ... de enkelen die
van onze groep er nog waren, begonnen ook te schieten. Ik heb toen geroepen:
"vizier instellen jongens en op de bootjes richten." Er zijn
verschillende van die bootjes lekgeschoten. Maar die Duitsers zaten er met de
volle bepakking in en dat ging natuurlijk naar beneden met die rubber bootjes.
Elk schot was raak! Drie keer. Ik was daarin getraind. Ik was scherpschutter,
maar vijf patronen zijn snel verschoten! De jongens gingen toen vluchten naar
het dorp, ik denk dat ze er gebleven zijn, ondergedoken bij de burgers.
Plotseling komt tijdens
deze acties een vliegtuig heel laag en vrij langzaam aanvliegen, kennelijk
reeds aangeschoten. In 'n flits legde ik aan, ik zag de piloot goed zitten in
z'n beschadigde vliegtuig. Ik mikte en schoot er mijn laatste patroon aan op.
Later hoorde ik dat hij nog in Neer was neergestort. Er kwamen er nog 'n paar, maar
die moesten weer direct terug. Ik heb er wel nog 'n foto van gemaakt. Alleen
het hele toestel is verloren gegaan. Dat heb ik achter moeten laten. Ik ben
daar zo lang mogelijk gebleven totdat ik wist nou moet ik weg zien te komen, we
dreigden namelijk te worden omsingeld! Ik moest maken dat ik weg kwam, om als
ordonnans door te berichten dat de Duitsers over de Maas waren bij Neer. Ik ben
daar als laatste vertrokken, op de motor, de anderen waren al weg. Die waren
naar de richting Heythuyzen, de Roggelse weg. Ik ben tenslotte door het dorp
gereden en iedereen riep: "blijf toch hier, ge krijgt andere kleren, blijf
toch hier, ga niet verder, ze schieten oe dood!" Ik antwoordde: "mij
schieten ze niet dood," heel brutaal... Maar ik was ook nergens bang van. Ze
konden mij niet bang krijgen... Ik was des duivels... Ik had weliswaar geen
kogels meer... maar wel handgranaten.
Want mijn gasmasker, dat
had ik eruit gehaald, wat moeten wij met 'n gasmasker? Want als ze met gas
beginnen, dat verstand had ik toen ook al, want als ze de wind tegen zouden
krijgen, dan krijgen ze het zelf. Dus die tas had ik vol met handgranaten en ik
had ze zelf gevuld, dus ik wist wat er in zat! Op de uitnodiging van die mensen
ging ik dus niet in. "Blijf hier! Het is nog zund... Ze schieten oe
dood!" Ik zei: "ik heb de opdracht gekregen om zo gauw mogelijk als
ze hier over de Maas komen naar Heytse te rijden om de groep te waarschuwen,
dat ze al over de Maas zijn." Nou stond er bij ons 'n stuk
pantserafweergeschut (PAG )uit Zweden, splinternieuw ding met granaten erbij.
De baas was Vaandrig de Crane, dat was de commandant en dan Luitenant Bouwman,
dat was 'n jonge Luitenant, die kwam uit Eindhoven. De vader was bij Philips
een van de bazen, 'n jonge kerel was het die Luitenant. Die waren daar met
sergeant Bos en nog 'n paar, daar weet ik de namen niet meer van. Die stonden
daar op de Roggelse weg opgesteld, met de richting naar Neer, want daar moesten
de Duitsers vandaan komen.
----------
Toen ben ik daar naar toe
gegaan en heb gezegd ... "als ze dadelijk komen ... schieten hè."
"Ja maar, dat weten we nog niet zo precies." Ik zei: ...
"potverdorie ... ge hebt toch dat ding splinternieuw ..." Ik zeg:
"schiet hem in, potverdorie, oe eigen niet laten kisten, dat doe ik ook
niet! Ik ga het nou zeggen in Heytse." Ondertussen kwamen er Duitse
motoren met zijspan met 'n mitrailleur erop. "Daar komen ze aan,
schieten... potverdomme...!" Durfden ze niet ... hebben d'r eigen
overgegeven ... met splinternieuw geschut! Ze zijn krijgsgevangen gemaakt. De
Duitsers schoten op mij omdat ik vlug weg reed ... Maar ik reed zigzaggend over
de weg. Ik was niet bang, ik was gewoon niet bang te krijgen ... ik dacht ik
schiet ze verrot... Ik was er zo kwaad op. Vooral omdat ze in die kazemat
geschoten hadden. Die mensen lagen daar dood te bloeden. Ik kende ze goed die
jongens. Die kwamen allemaal bij mij op 't compagniesbureau, als ze iets
moesten hebben. Die kenden ik allemaal! Daarom was ik zo ontzettend kwaad op
die Duitsers.
Ik ben dus vertrokken daar
bij dat PAG, want die durfden toch niks. Ik dacht, ik kan hier niets meer doen.
Ik ben als laatste uit Neer vertrokken ... zigzaggend over de Roggelse
vluchtweg. De Duitsers schoten op mij omdat ik daar vandaan reed met m'n motor.
Lang durfden ze dat ook niet, want tussen ons in stonden onze officieren met
handjes in de lucht. Toen heb ik onder de Roggelse weg gekeken, waar ergens 'n
riolering onder de weg was of 'n buis, daar heb ik toen 'n paar handgranaten
ingegooid. Om de weg open te breken! Ik weet niet of dat wat geworden is. Ik
heb er niet op staan wachten. Want het is met 'n handgranaat zo, als je de
splitpen eruit trekt dan is het ... 21... 22... 23... en dan gooien en dan komt
bij 24 net boven de grond .... de ontploffing en bij 25 ... dat is dan bij de
tegenpartij. Dat was ons geleerd en ik heb ’t geprobeerd. Of de weg ook is
opengeklapt dat weet ik niet. In ieder geval wilde ik verhinderen dat ze verder
konden oprukken. Ik ben zonder 'n seconde te verliezen gewoon doorgereden naar
onze compagniesafdeling, die was nog gewoon bij elkaar.
Onze kapitein, Hoffmann,
daar heb ik de laatste maanden bij op kantoor gezeten en daar stonden zij ....!
Ik zeg: "de Duitsers zijn de Maas over. Dat kom ik efkens vertellen, want
ik heb niet voor niks 'n eigen ordonnansmotor... Ze zeiden: "het is goed
dat we dat weten, dan gaan we verder terugtrekken." Toen zeiden ze tegen
mij (er waren verschillende groepen bijgekomen): "je hebt 'n eigen motor,
je bent niet bang, wil jij de colonne (in de colonne waren keukenwagens en van
allerhande munitiewagens en de hele reutemeteut, allemaal paard en wagen)
voorbij rijden en daar waar de officieren zijn, gaan zeggen dat ze onder de
bomen moeten schuilen. Ik antwoordde: "dat wil ik wel doen, maar ik ben
geen officiële ordonnans, mag ik dan een briefje van u hebben." "Ja
natuurlijk” en het briefje werd gemaakt met de naam van die officier erop. Ik
met dat briefje op zak naar voren gereden. Dat was toch wel 'n kilometer lang
waar ze opgesteld konden worden. Ik zei hen dat ik 'n opdracht had van de
officier. "U moet hier onder de bomen schuilen, want jullie mogen
voorlopig niet verder totdat je 'n volgend bericht krijgt." Nou, daar komt
luitenant Bozelie op 'n grote motor aangereden en die zegt: "wie heeft
hier bevolen om hier te stoppen onder de bomen?" "Ja, hier deze
ordonnans!" "Ah!, die moet geliquideerd worden. Die moet
doodgeschoten worden want dat is 'n deserteur of van de 5de colonne." Maar
de officieren antwoordden dat ik wel een briefje bij me had. Ook toevallig dat
ik dat gevraagd had! Daar heb ik 100 procent geluk mee gehad. (later heeft die
Luitenant Rozalie zich bij de Belgisch/Franse grens doodgereden).
----------
De hele colonne stond
onder de bomen op de weg naar Someren stil. Daar hadden we de nacht
doorgebracht. Dat was vrijdagavond. In 't donker moesten we in 'n
ambachtsschool gewoon op de vloer en ik geloof niet dat we wat te eten hadden.
Ik ben blijven zitten, ik heb niet gelegen. Op 'n gegeven moment kwam er 'n
ouder echtpaar uit Eindhoven, dat bleek de vader en moeder te zijn van
Luitenant Bouwman en die vroegen eigenlijk aan de hele groep: "weet iemand
iets van onze zoon." "Uw zoon, wie is dat?" "Ja, dan moet
je bij van Haaren zijn, die zit daar." Toen kwamen ze naar mij toe. Ze
vroegen aan mij of ik wat van hun zoon wist. "Uw zoon heeft zich
overgegeven en is krijgsgevangen gemaakt." Hoe het daarmee zou zijn? Dat
wist ik ook niet. "Als hij krijgsgevangen is gemaakt, is hij niet zomaar
doodgeschoten" veronderstelde ik (maar zelf dacht ik van wel, maar zeker
was ik er niet van, dus kan je dat ook niet zeggen!).
Ik zei: "oh, dan zit
hij niet slecht, want wij moeten er nog aan beginnen en hij is er in ieder geval
al vanaf.” Ik heb hen uitgelegd over de omstandigheden waarin zij dus waren,
met dat pantserafweergeschut. Ze hebben niet geschoten, dat weet ik zeker, dat
durfden ze niet. Ze hebben direct alle handjes in de lucht gestoken! en ze
vroegen mij: "hoe ben jij er dan doorgekomen?" Ik vertelde hun dat ik
gewoon zigzaggend over de weg was gereden, want ik moest 'n bericht doorgeven
in Heythuizen, dat de Duitsers over de Maas waren. Morgen gaan we weer verder
of vannacht al waarschijnlijk. Toen ben ik op de motor door Eindhoven en in
Oirschot thuis geweest en gauw een paar pakjes kauwgum meegenomen. Toen zeiden
ze me thuis te blijven omdat iedereen thuis bleef. Ik antwoordde: "nee,
als ik thuis blijf, dan schieten ze me dood omdat je dan 'n deserteur bent."
Dat geloofde niemand meer, maar ik zelf wel!
Ik had al wat meegemaakt.
Ik dacht, dat doe ik nooit. Ik had trouwens ook geen interesse om thuis te
blijven want ik had zo'n verrekte hekel aan die Duitsers. Ik had ze wel kunnen
vermoorden, bij wijze van spreken. In ieder geval ben ik toen vanaf Oirschot
richting Tilburg naar Breda gereden. Daar bij Gilze-Rijen reed ik met m'n motor
over de verkeersweg Tilburg-Breda, dat was toen 'n smalle weg, 'n macadamweg
met aan weerszijden bomen en ik hoorde en zag de kogels van overvliegende
vliegtuigen als druppels over de weg vliegen. Ik dacht: "potverdomme,
gelukkig dat ze me nog niet geraakt hebben." Toen ben ik in die omgeving
achter 'n schutting in dekking gegaan. Toen het rustiger werd ben ik verder
doorgereden en arriveerde ik op 'n gegeven moment in Tholen aan de brug. Toen
zijn er heel veel naar de waterlinie getrokken: Vesting Holland en zo kwam door
deze omstandigheden een gedeelte van de Peel-Raamstelling-soldaten in deze
vesting terecht.
Bij de brug bij Tholen
werd gepost door soldaten en officieren: "en, waar kom je vandaan?"
Ik was militair gekleed natuurlijk en 'n karabijn om m'n nek en ik zei:
"Ik kom vanuit de Maaslinie, bij Maastricht." "Wat kom je hier
dan doen?" Ik antwoordde: "dat zou je niet vragen als je zelf
Duitsers was tegengekomen, dan praatte je wel anders!" "Ben je dan
gevlucht." "Nou moet je 'ns goed luisteren: nee, ik ben niet
gevlucht. Ik ben teruggetrokken, want vluchten dat kan ik niet. Dat doe ik
nooit en voor niemand!" Ja, ze konden het daar voor die brug niet
begrijpen. Ik zei tegen die officier: "zo gauw als ze hier in de buurt
komen, dan begrijpen jullie het makkelijk!" Verder hoefde ik niet meer te
vertellen. Ik ben daar in Tholen een huis binnengegaan en ik werd daar opgenomen.
Ik ben daar een dag gebleven en ik heb water gekregen. Ook anderen van onze
groep kwamen daar aan.
----------
Op 'n gegeven moment
moesten we van Stavenisse naar Wemeldinge. Toen zijn we overgestoken op ’n
aardappelschuit en m'n motor ook mee. "Zorg, dat er geen benzine uitloopt,
anders zijn mijn aardappels niets meer waard." Daar zorgde ik wel voor en
aan de overkant, potverdorie, kwam ik 'n heel gedeelte van die club waar ik bij
zat, weer tegen. Daar moest gefoerageerd worden! Het was maandag, toen ik weer
bij m'n hele club was, tenminste 'n groot gedeelte waaronder ook Kapitein
Hoffmann. Hij begroette mij en zei: "kijk 'ns aan, we zien elkaar nog
eens." Ik grapte terug: "jullie hebben ook hard gelopen." Hij
zei: "jij nog harder en hoe is het jou vergaan?" Toen moest er
gefoerageerd worden en daarna zijn we bij 'n bakker geweest en daar hadden ze
alleen maar van dat platte Zeeuwse brood. Ik heb die bakker in Wemeldinge en
z'n dochter Saartje geleerd hoe je goed brood kunt maken zonder gist. Ze waren
er me dankbaar voor!
Na 'n paar dagen, wij
hadden ondertussen weer meer patronen gekregen, moesten we weer vertrekken en
oversteken met 'n veerboot van Vlissingen naar Breskens. Toen we in Vlissingen
met heel de club verzameld waren, kwamen er plotseling vijandelijke
parachutisten. Ik begon daar meteen op te schieten. Toen ze me vertelde dat je
daar niet op mag schieten ... reageerde ik: "hoezo mag dat niet? Zij
beginnen zelf te schieten!" "Nou, volgens de Conventie van Genève mag
je niet op parachutisten schieten. Dat zijn vliegers die hun wapen verlaten
hebben, die moeten vluchten zonder wapen." Ik antwoordde: "die hebben
betere wapens dan wij en nou schieten ... want als die naar beneden komen dan
krijgen wij er moeite mee." Maar ze vonden dat het moeilijk was ze te
raken! "Schiet dan niet op de mennekes maar op de parachutes, dat zijn van
die lange banen en die scheuren dan in een keer open." Nou en toen kwamen
ze als kluiten omlaag. Soms waren daar ook vrouwen bij en die riepen:
"nicht schießen, wir ergeben uns." Ik riep dan naar hen: "ja,
maar wij niet!"
Hoeveel er daar gesneuveld
zijn weet ik niet. Na deze onverwachte vertraging staken wij alsnog over naar
Breskens. Daar konden we ook niet blijven want er waren daar ook regelmatig
parachutisten. Ik moest toen mee naar Cadzand. Mijn motor heb ik daar bij
mejuffrouw Blankert neergezet. Tijdens onze patrouilles kwamen we gelande
Duitse soldaten tegen die door ons werden gedood, waarbij mijn specialiteit als
scherpschutter ons goed van pas kwam. Maar er zat nog een mitrailleursnest
langs de openbare weg. Er zaten, naar later bleek, drie Duitsers achter een
zware mitrailleur. Als er over die weg militairen kwamen dan werd er door die
mitrailleur op ze geschoten. "Kan jij daar iets aan doen, Piet?" Ik
antwoordde: "ikke wel, ik zal wel eens effe kijken."
Toen probeerde ik te weten
te komen waar die mitrailleur precies zat. Ik zag aan de richting van hun vuur
waar ze zaten. Positie was op ongeveer 150 meter afstand aan de linkerkant in
de sloot langs de weg. Ik kroop er zo dicht mogelijk naar toe. Toen heb ik er
een aanvalshandgranaat naar toe geworpen en een verdedigingshandgranaat, toen
was ‘t afgelopen. Ik ben niet gaan kijken, want dat durfde ik niet, want ik
dacht, verbeeld je dat er nog een leeft en die schiet mij dan dood. Zo was het
goed, het was afgelopen. Later hebben ze tegen mij gezegd: “nou, gij hebt 'n
goede beurt gemaakt,” want ze waren er niet meer. Ze waren gesneuveld. Ik zei:
"nou prachtig, want het vuur was opgeruimd. Toen ben ik weer teruggegaan
naar Cadzand. 's Nachts liepen we herhaaldelijk patrouille. Dat was dag en
nacht op, slapen was er niet bij. Toen hoorden we dat 'n Engelse torpedojager
was geland bij Cadzand. Daar waren verschillende officieren aan land gekomen en
daar was ook Prins Bernard bij. Ik dacht: potverdorie, die wil ik zien en ik
heb hem gezien! Ik heb er een hand van gekregen en die heeft mij gefeliciteerd
en succes gewenst. Ik zei: "als ik nou in Engeland terechtkom (wat de
bedoeling was), dan wil ik wel graag vliegenier worden: piloot, want ik heb een
zweefvliegbewijs."
----------
Hij antwoordde dat, als ik
zover kwam, ik mij dan moest melden en proberen dit te realiseren. Dat heeft
hij tegen me gezegd. Ik was fanatiek, ik dacht, piloot, iets aparts. Enfin...
misschien was ik er dan nu niet meer geweest! Dan had er misschien 'n
standbeeldje gestaan... maar ik zou wel mijn best hebben gedaan... dat in ieder
geval. 'n Paar dagen later moesten we al onze wapens inleveren en onze helm,
maar onze putties mochten we behouden. Voor het vertrek ontvingen wij van die
hele grote mens, Majoor Lam, de generale absolutie. We moesten allen met onze
groep, zo'n 25 man die toen bij mekaar waren, knielen. Dat hield dus in dat je
maar 'n gebedje na hoefde te zeggen en dan waren al uw zonden vergeven. Als er
iets gebeurde, dan kon je niets overkomen, je ging rechtstreeks naar de hemel.
Majoor Lam zei dat het de bedoeling was ons naar Engeland over te brengen.
Toen gingen we op
vrachtwagens en we reden vanaf Cadzand via de Belgische kust en Oostende naar
Pas de Calais. Hier staken wij de grens over richting Duinkerken. Later hoorde
ik vertellen dat die Luitenant Rozalie, die mij daar in Limburg had willen
liquideren, bij Pas de Calais met z'n motor verongelukt was, tegen 'n muur of
boom gereden. In Duinkerken kwamen we in de Jean Baert kazerne. In de gebouwen
konden we niet blijven, die werden iedere nacht beschoten, gebombardeerd.
Toen hadden ze loopgraven
op de uitgestrekte binnenplaats (het exercitieterrein) gemaakt. Daar moesten we
's nachts in schuilen en dan kwamen er weer van die Stuka’s over. Weer dat
geratel van machinegeweren met hier en daar brandbommen. Dat kon mij niet veel
schelen, want ik was eigenlijk te brutaal, achteraf gezien misschien te
overmoedig. Maar iedereen had er plezier in als ik onder dat hels kabaal stond
te fluiten of te zingen. Ik moest toch iets doen ... we konden niet schieten,
we hadden geen wapens! We moesten de moraal hoog houden en dat deed ik dus wel.
Iedereen was er tevreden over, want dan kwamen soms die officieren kijken wie
er zo'n herrie aan het maken was. "Het is altijd dezelfde," zeiden
ze, "die geeft nergens niks om en is nergens bang van." Ik reageerde
dat ik ook nergens bang voor was. Ik kon die doodbloedende Rotterdammers daar
in de kazematten van Neer niet uit mijn gedachten krijgen. Ik bleef laaiend
woedend!
We hebben toen daar een
paar dagen praktisch zonder eten gezeten... toen we in colonne naar de haven
van Duinkerken afmarcheerden. Onderweg zagen we ontplofte kanonnen en van
allerhande oorlogstuig. Tegen een uur of zes, ver in de namiddag, kwamen we bij
'n boot die voor ons klaar lag en we gingen meteen door aan boord en we
belandden in het tussenruim. 's Avonds om 10 uur vertrok de boot en die mocht
niet rechtstreeks oversteken naar Engeland, want er lagen verderop in 't Kanaal
overal magnetische mijnen. We zouden daarom onder de kust vanaf Duinkerken naar
Cherbourg varen, want daar was de baan van mijnen geveegd. Daarna zouden we dus
oversteken naar Engeland. Maar zover kwam het niet!
Toen we twee uren gevaren
hadden, van 10 tot 12 uur, kwamen de Stuka's over. Kwart over twaalf, was 't op
m'n "Lambers van Driel" zakhorloge. Die zetten drie lichtkogels boven
onze boot en begonnen te schieten en bombarderen. Wij hadden geen wapens, niks!
De zegeningen van de Generale Absolutie van Cadzand waren iedereen totaal
vergeten...
----------
Er brak een ontzettende
paniek uit... Geschreeuw en gevloek.. ik kan dat niet verteld krijgen... niet
uitleggen hoe afschuwelijk gruwelijk die paniek was... alle beheersing weg...
de boot raakte meteen in brand, ze hadden er brandbommen opgegooid... door 't
licht van die vlammen heb ik zwaargewonden gezien afgrijselijk... ’n
afschuwelijke hel. Ik heb 'n vaandrig gezien... ben bij 'm neergeknield ...
maar die was niet te helpen… z'n linkerarm volledig weg … 'n gapend gat
waardoor ik het hart zag kloppen... Daar moet je niet van schrikken... daar
moet je tegen kunnen... Ik was schijnbaar keihard... ik heb altijd gezegd... ik
kom er wel. Ik heb zoveel mogelijk mensen proberen te helpen ook met bindingen
en zo... met alles wat voorhanden was... putties... veel was er niet... maar
het werd te heet.
Ik sprong naar de balken
van het dek boven mij, greep ze vast maar terwijl ik daar zo hing om mij op te
trekken, probeerden ze in paniek over mij heen te klimmen... ik moest
loslaten... maar ik was sportman.. steeds opnieuw springen... opnieuw
loslaten... Op 'n bepaald ogenblik klommen er 'n stuk of drie over mij heen en
die waren nog eerder boven dan ik... Dan klampten er zich soldaten vast aan
mijn helm die aan m'n hals hing, totdat ik op 'n gegeven moment in opperste
ademnood in volle benauwdheid dreigde te stikken... Ik dacht dat ik dood
ging... en dat wilde ik niet... ik sloeg om me heen... rukte zelf m'n helm van
mijn hoofd en smeet hem ver van mij weg. Toen ik boven kwam op het dek... ben
ik verder gegaan met helpen, met te redden wat er te redden was, gewonden
geholpen, zoveel mogelijk verzorgd... Ik was overal en altijd inzetbaar ... ik
stond altijd vooraan, ik deed alles, alles wat anderen niet durfden, durfde ik
wel... ik was in staat alles opzij te zetten... ik heb altijd 'n rotsvast
vertrouwen gehad dat ik nog thuis zou komen met die gedachten heb ik toen
altijd geleefd.
Dat was misschien een niet
te rijmen gedachte... te midden van dat oorlogsgeweld, midden in die ellende...
meer ellende kan 'n mens niet verdragen. Het verbrandde vlees van mensen, dat
kon je zo goed ruiken, je kunt gewoon niet geloven hoe vies dat is. Maar ja,
dan moet je er doorheen en dan moet je er wel tegen kunnen. Sommigen zijn toen
dolgedraaid! We haalden de gewonden met touwen naar boven… er werd geschreeuwd,
gevloekt en gekermd. We verzorgden hen. Ondertussen begon men de eerste boten
te water te laten. Op de boot waren vier reddingsboten, aan elke kant twee die
in davits hingen. In die eerste boten wilde ik helemaal niet want 't was nog
donker. Ik dacht ik blijf zolang mogelijk. In de eerste reddingsboot zaten
enkele officieren.
Bij de tewaterlating kwam
die schuin te hangen waardoor de inzittenden in zee terecht kwamen. 'n Val van
zo'n ruim tien meter! Omdat ook de tweede takel brak, viel daarna de hele boot!
Er waren heel veel mensen overboord gesprongen en ook velen die via staalkabels
naar beneden zijn gegleden, waarbij hun handen vol staalsplinters raakten en
openschuurden. Even werd onze aandacht door deze drama’s vastgehouden, maar er
was meer te doen dan op en neer te lopen. Bij het licht van afgeschoten
lichtkogels hebben we daarna op het dek met zo'n man of twintig nog vlotten
gemaakt, te water gelaten en gewonden over boord geholpen en de vlotten met
gewonden al zwemmend in de richting van de kust gedrukt. Het was licht toen we
de kust strompelend en struikelend bereikten, waar we kennismaakten met Franse
burgers die toegesneld waren om ons te helpen.
----------
Ik weet 't nog wel, ik heb
toen 'n drankje gekregen, want ik schijn er ook wel uitgezien te hebben. Toen
heb ik van 'n mevrouw 'n drankje gekregen dat zoet proefde. Ik denk dat het rum
was met wat anders gemengd, het was lekker! Ik kreeg daardoor 'n veel beter
gevoel, waarbij men niet moet vergeten dat we allang niet meer gegeten hadden.
Als in 'n roes zijn we, omringd door oorlogsgeweld, met zo'n honderd man verder
getrokken. Uiteindelijk kwamen we in de buurt van Calais op 'n boerderij
terecht en daar was 'n kuil met voederbieten en omdat wij zo'n honger hadden
zijn we begonnen die knolraap te eten. Die waren zo taai en zo slap. Maar we
sneden er stukken vanaf. Toen zijn er daar Duitsers gekomen die koeien hebben geslacht.
Dat werd allemaal voor hen klaargemaakt en voor ons bleef er niets anders dan
de door de Duitsers gekookte uier over.
Weer zaten we op taai spul
te bijten. Al vrij vlug zei ik tegen Majoor Lam dat we krijgsgevangen zouden
worden gemaakt en dan op transport naar Duitsland zouden worden gesteld. Ik zei
hem dat ik helemaal geen krijgsgevangene wilde zijn, ik wilde er tussenuit met
'n paar man. Drie man hadden zich al aangemeld, waaronder sergeant-majoor
Godrie, die goed Frans sprak, hij kwam geloof ik uit Roosendaal, die zou in
ieder geval mee gaan. "Majoor Lam," zei ik, "mag ik met m'n
kameraden vertrekken?, ik wil er tussendoor komen." "Ja,"
reageerde hij, "maar dat lukt je niet, blijf nou maar bij ons.” "Nee,"
antwoordde ik, "ik wil graag weg." "Nou, als je er zo op staat,
dan heb je mijn zegen," zuchtte Majoor Lam. Opgelucht zijn we toen met z'n
vieren richting Duinkerken vertrokken: sergeant-majoor Godrie, nog 'n sergeant
en ik met 'n soldaat uit Den Bosch die ook bakker was, 'n collega dus!
Kort na ons vertrek
volgden wij gespannen de luchtgevechten tussen Engelse en Duitse vliegeniers.
We zagen ook die hele grote Duitse bommenwerpers, Junkers, met platen die wel
op golfplaten leken. Met hun zware bommen probeerden zij de boten die nog aan
de kust waren te vernietigen. De Engelsen waren ook niet flauw, die hadden
luchtballonnen aan staalkabels op een zodanige hoogte dat de zwaar geladen
bommenwerpers daar niet overheen konden. Dat hadden die Engelsen berekend en
goed berekend! De Duitse vliegeniers probeerden er tussendoor te vliegen.
Sommigen lukten dat niet en vlogen tegen de kabels waardoor vleugels afbraken.
Bij het neerstorten ontploften hun zware bommen, een onvoorstelbaar hels
kabaal. Tijdens de luchtgevechten schoten de Engelsen en Duitsers elkaar naar
beneden. Normaal vinden die gevechten op grote hoogten plaats, maar daar bij
Duinkerken toen niet. Op honderd meter hoogte zaten ze elkaar achterna,
onderste boven en van alles hebben wij gezien. Wij zagen veel vliegtuigen
neerstorten en met hen de vliegeniers.
Tijdens dit gedeelte van
de tocht hoorden wij granaten van het zware geschut voorbij suizen... en als je
goed oplette kon je ze zelfs zien vliegen en even later de explosies...
boemmm... boemmm... Maar als ze begonnen te fluiten... te fladderen... dan
kwamen ze in onze buurt terecht... dan was het potverdorie dekking zoeken...
Toch waren dat dus meestal afgedwaalde projectielen, die eigenlijk niet goed
functioneerden. Al heel snel vonden we ons omsingeld door Duitsers. Het was ‘t
doodskoppenregiment dat daar met kanonnen en luchtafweergeschut, helemaal
compleet, stond opgesteld. De officier ervan en ik kwamen gelijktijdig op
elkaar af. Hij vroeg mij: "sind sie auch Germanisch?" Ik was er wel
gelukkig mee dat hij meer op mijn blonde haren dan op m'n uniform lette! Hij
vroeg: "was willst du?" Ik antwoordde: "nach Holland... nach
Hause!" Hij grijnsde: "sie können ruhig nach deine Mutti." Ik
bleef rustig en vroeg hem: "auch meine Freunde?" "Jawohl,
selbstverständlich." "Darf ich von Ihnen ein Zettel haben?"
"Natürlich."
----------
Tot onze grote opluchting
ontvingen wij van hem een briefje met zijn naam erop en voorzien van zijn
stempel en handtekening en hij raadde ons aan voorlopig met de ‘benenwagen’ te
reizen. Wij mochten er vervolgens door... en daar wachtten wij geen moment
mee... Want we hadden een goed bruikbare toestemming. Na veel omzwervingen
vanwege het Duitse front in opmars, bereikten wij de omgeving van Valenciennes,
wat al bezet was door de Duitsers. Het stikte er van de Hitlerjugend. Die
schoten overal op! Maar niet op ons want dat mochten ze niet. We hebben
transporten van krijgsgevangen: Indiërs, Senegalezen en Fransen gezien. Ik
schat wel 10.000 in 'n lange eindeloze colonne. Die Hitlerjugend schoot rustig
iemand dood die uit de rij raakte. Veel zwarten mensen waren ook niet bang, die
waren ook fanatiek!
Op 'n gegeven moment bij
dat dorp, waar we ze voorbij zagen trekken, dook zo'n donkere soldaat in de
kelder van 'n café of zoiets en 'n Duitser ging hem achterna met zijn geweer.
Die wou hem in de kelder doodschieten en meteen gingen er weer 'n paar zwarten
achter die Duitser aan en die Duitser is niet meer naar boven gekomen. Terwijl
wij er gewoon bij stonden te kijken, buiten de rij. Wij waarschuwden elkaar
wel: "niks zeggen en niet roepen of zo." Na vijf dagen dwalen, zonder
eten, tussen ontzettend veel vluchtelingen: jonge moeders met kinderen,
kinderwagens volgepakt met spullen, oude mannen, bereikten wij Valenciennes.
Daar waren de Duitsers al volop bezig zich in te kwartieren. Bij 'n grote
villa, midden in de stad, was 'n plaat "Ortskommandatur."
Uitgehongerd, stelde ik
voor dat ik naar de wacht zou gaan. "Durfde gij dat?" "Ja"
zei ik, "ik wel." "Darf ich der Ortskommandant sprechen?" Ik
liet hem mijn briefje van de Duitse officier van het doodskoppenregiment zien.
Hij controleerde of ik wellicht wapens bij me had en grauwde: "Oben!"
Dus ik ging naar boven en meldde me daar. Ik had geen kepi op, maar ik dacht:
'n soldaat ben je en ik ging gewoon in de houding staan. Dat vond hij prachtig,
het was 'n kapitein. "Woher kommen sie?" Ik antwoordde: "aus
Holland," "Und sie wollen zurück nach Holland?” Ik zei: "ja,
gerne." "Ah, sie wollen zurück nach Holland." Zij zaten aan 'n
hele grote tafel, allemaal officieren ... linzensoep met heel veel vlees erin
... en ze zaten te smullen ... en opnieuw op te scheppen. Ik schijn er meer dan
begerig naar gekeken te hebben... want de kapitein vroeg: "Haben sie
hunger?" Ik antwoordde: "ich habe fünf Tage nichts gegessen."
"Setze dich." "Danke," zei ik, "ich habe auch noch
drei Freunde, dürfen die auch mitessen?"
De militairen gingen ze
meteen halen en die zagen al dat eten... Meteen maande ik hen netjes te eten
zoals ze dat thuis geleerd hadden: niet sloeberen, niet slokken. Ik was bang
dat ze zo zouden schrokken dat ze direct daarna zouden moeten overgeven en dan
was al dat kostbare eten weer weg, dan was mijn hele actie voor niets geweest.
Beloofd was beloofd en we aten ieder maar een bord linzensoep, op een na, die
at anderhalf bord. Na gevraagd te hebben of we konden vertrekken zei de
Kapitein: "ich will dich noch etwas mitgeben für unterwegs." We
ontvingen 'n groot Duits brood en twee dikke worsten. Die worsten kwamen uit
Holland! "Da können sie vorläufig von essen." Daarop vervolgden wij
onze route in de richting die we wilden gaan. Meteen kwamen we weer
vluchtelingen tegen en ik zei dat wij wel lekker hadden gegeten, maar die
vluchtelingen hadden natuurlijk ook honger. Het is toch te gek dat wij met eten
lopen te sjouwen en dat hun vergaan van de honger. Op 't moment dat ik dat
brood en die twee worsten weggaf aan 'n stuk of zes vrouwen met kinderwagens,
werd er in de lucht geschoten. Potverdomme..., die hadden natuurlijk met
verrekijkers ons gevolgd.
----------
Het geluid kwam niet ver
van de Ortskommandantur vandaan. "Sie mussen zurück kommen." Ik zei:
"ik ga terug." "Durfde gij dat?" "Ja natuurlijk, ze
hebben toch geroepen dat ik terug moet komen." Nou die kapitein was er
helemaal van onderste boven dat ik dat had gegeven aan die arme mensen. lk
legde het hem uit : "die menschen haben auch hunger und wir haben
gegessen, vorläufig können wir wieder weiter." Dat vond hij zo prachtig...
Hij zei dat ik nog een keer brood en worst meekreeg maar dat ik het niet meer
mocht weggeven. Laat ik dat niet meer zien, want dat wou hij niet meer hebben.
Ik vind het prachtig wat je hebt gedaan, maar het is voor jullie bedoeld.
"Für Ihnen ist das gegeben." Ik zei: "ja" en toen hebben we
het onder onze jassen gehouden, zodat de vluchtelingen het niet meer konden
zien. 'n Eind verder hebben we er 'n paar sneeën van gehad en daarna toch weer
weggegeven, ze waren ver genoeg weg.
Met ons vieren verlieten
wij Valenciennes en 'n tijd later bereikten we Doullens (?), waar 'n groot
feest was van Duitse bruggenbouwers Organisatie Tödt, die had 'n brug hersteld.
Ze waren daar met zo'n vijftig of zestig man boven dat riviertje bezig. Een van
hen, een wat oudere man, zei: "sie sind wie mein Sohn, ich lade Sie
ein"... In verband met het gereedkomen van die brug gingen ze 'n feestje
bouwen... en wij met ons vieren deden mee... goed en veel eten, alles overgoten
met champagne. Overigens was dat de eerste keer in mijn leven dat ik champagne
dronk. Ik dacht: niet te veel Piet, anders worde gek. Die oudere man... die
ontfermde zich over mij: "sie sind mein Sohn." Die nacht sliepen we
allemaal als ossen. Hier en daar werd er wel gesnurkt... en soms hard geroepen.
Om zes uur kwam er een Duitse officier of zoiets: "Aufstehen...
Aufstehen... en sloeg overal tegenaan waar geluid uit kwam. Die moesten
natuurlijk weer verder trekken.
Vanaf Doullens (?) zijn we
lopend richting Mons gegaan. Richting Limburg, verkeerd dus! Mons was 'n stadje
met hele hoge torenschachten, 'n mijnwerkersstad. Daar pas realiseerden we ons
dat we niet richting Limburg maar richting Zeeland, richting Brabant in
moesten. We besloten toen helemaal terug te lopen. We hebben nog getracht
auto's aan te houden. Velen daarvan waren helemaal gesloten, volgeladen met
lijken en die stopten dus niet. Vrachtwagens die dicht zijn hoefde we niet aan
te houden, want die stoppen niet. Niet dat ze dat gezegd hadden dat er lijken
in lagen, maar je kon af en toe het bloed er uit zien sijpelen. Dat was voor
ons natuurlijk 'n gruwelijke ervaring. Na heel veel omzwervingen zijn we
uiteindelijk in Brussel aangekomen.
We ontdekten een tram die
richting Antwerpen zou gaan. "Kom op, jongens richting Holland." Wij
sprongen erop, maar zo hard reed hij niet. In Antwerpen konden we niet verder
en we moesten weer de tram uit. We zijn toen meteen te voet verder gegaan, we
roken de stal. In de avond/nacht bereikten we Roosendaal. In die buurt woonde
sergeant-majoor Godrie, die toen naar huis wilde gaan. Maar wij hadden geen
vervoer daar midden in die nacht. Wij besloten ons te melden bij het
politiebureau. Uiteindelijk hebben we met z'n drieën in de cellen geslapen.
Godrie was op huis aan.
Een paar jonge politiemannen daar in Roosendaal begonnen ons uit te vragen,
waarop 'n paar oudere agenten ons vroegen: "waarom zijn jullie in Limburg
al niet gevlucht?" Ik antwoordde: "begrijpen jullie dat niet? Nou,
dan hebben jullie nog geen oorlog meegemaakt. Want als je ging vluchten of
wegging van de grote groep... dan was je een deserteur." "Ja,"
zei 'n oudere mens, 'n oudere agent tegen die jonge politieagenten, "kom
eens hier kijken!" Hadden ze daar op de binnenplaats een betonnen
schutting staan waar gaten in waren geschoten, waar ze dus de deserteurs hadden
doodgeschoten. Maar dat wisten die jonge kerels niet. Hier is dat gebeurd en
als mijnheer van Haaren toen gevlucht was, dan had hij hetzelfde kunnen
meemaken. Toen vroeg ik of ik mocht telefoneren. Het was half juni...
----------
Ik belde naar huis in
Oirschot en daar kreeg ik mijn oudste zuster aan de lijn. Die hadden van horen
zeggen dat ik naar de Vesting Holland was gegaan. Daar hadden ze mij ergens
dood zien liggen en ze waren ervan overtuigd dat ik niet meer in leven was. Ons
probleem, tijdens onze tocht tot in Frankrijk en terug, was dat het voor ons
niet mogelijk was via het Rode Kruis ons thuis op de hoogte stellen. Want
daaruit zou dan blijken dat je als soldaat in het buitenland was en dat kon
nadelig voor je familie zijn. Toen ik dus thuis opbelde stonden ze ervan te
kijken. "Ja, wanneer kom je?" "Ja,” zei ik, “zo gauw als ik
kan." Ik heb al zoveel te voet gelopen, dat doe ik niet meer. Ik heb 650
kilometer gelopen met die zware kistjes en heb nu bloedblaren. Ik kon 's
morgens gebruikmaken van trein en bus. Toen was ik heel snel thuis. Zondag 's
avonds... thuis, waar ik de enige zoon was... met een bakkerij van mijn
vader... Allez! Schoenen uit en naar de bakkerij!
Om half vier op
maandagmorgen stond ik weer in de bakkerij... Ja... onze vader was er nog een
van de oude stempel... Ons vader en moeder... ze vroegen niet eens waar kom je
vandaan? Ik kon mijn verhaal aan niemand kwijt... de ambtenaren niet... Ik ben
er maar mee door blijven sukkelen... Onze Piet is thuis... en ik moet weer mee
aan het werk... Al vrij vlug ben ik naar Cadzand naar mejuffrouw Blankert op de
Londense Kraai gegaan... naar mijn motor die ik daar had achtergelaten. Ik
betaalde wat staangeld en ben toen op de motor weer terug naar Oirschot gegaan
en ben meteen weer begonnen met broodbakken. M'n hele leven lang... en vertelde
ik eindelijk mijn verhaal van Mei 1940, 63 jaar later in december 2002. De
herinneringen aan m'n medesoldaten zijn voor mijn leven in m'n geheugen
vastgeklonken.

Piet van Haaren: 92 jaar
oude verzetsman, die onthullingen doet over zeer merkwaardige militaire
bewegingen,
met niet toereikende bewapening, met Duits
lijkende namen van commandanten en de
verwijdering van
grensversperringen bij Heythuizen, weken vóórdat de Duitsers zouden
binnenvallen.
Piet van Haaren – Oirschot
16 december 2002