Nostalgisch Breda Deel 2
INHOUD
(1)
De vijftigers en zestigers van nu, de babyboomers van toen.
(2)
Liften, eertijds mijn favoriete vorm van vervoer.
(3)
Mijn oma kon heel goed verhaaltjes vertellen.
(4)
Een kleine ode aan de ondernemers van Breda.
(5)
In Nederland lijken de binnensteden allemaal op elkaar.
(6)
In het Mastbos wemelde het altijd van de militairen.
(7)
Sparen en verzamelen, de hobby van menigeen in vervlogen jaren.
(8)
Het carnaval is niet meer zoals het eens was.
(9)
Een markant gebouw in Breda: de Klokkenberg.
(10)
Colportage in een ‘nieuw jasje’ gestoken.
(11)
Wat is het geheim van een (zaken)-pand?
(12)
‘Een bos hout voor de deur.’
(13)
Die zak friet wordt onbetaalbaar.
(14)
Wat is nou een honderdtal jaren in de geschiedenis?
(15)
Een riant uitzicht op het Westeinde.
(16)
De Haagdijk.
(17)
Een ‘dorstig’ volkje, die Bredanaars.
(18)
Geld ophalen tijdens de Mis (deel 1).
(19)
Telefoonterreur.
(20)
Waren de huisdokters vroeger nou zoveel beter?
(21)
Een markant gebouw in Breda: de Koepelgevangenis.
(22)
De krantenadvertenties van de jaren zestig.
(23)
Schaken, een spannende bezigheid.
(24)
Verboden op het gras te lopen.
(25)
Snoep en andere lekkernijen, helaas ook al tijdsgebonden.
(26)
De Lourdesschool was zo slecht nog niet.
(27)
Communicatie en telefoneren in de vijftiger en zestiger jaren.
(28)
De Bieb.
(29)
Een markant gebouw in Breda: de Eurotoren.
(30)
Dankzij het Heuvelkwartier werd Breda een echte stad.
(31)
En… stinken dat het deed.
(32)
De hoorspelen in de jaren vijftig.
(33)
Sinds mensenheugenis is er op zaterdagmiddag markt aan de Nieuwe Haagdijk.
(34)
Parijs, 5 dagen FTS voor slechts 99 gulden.
(35)
De tourkaravaan kwam eens door Breda.
(36)
Met vetkrijt waren er tekens aangebracht vlak naast de bel bij uw voordeur.
(37)
In de vijftiger jaren, vooral bij de middenklasse zeer geliefd, die
kostscholen.
(38)
De watersnoodramp van 1953.
(39)
De gebroeders of gezusters van…
(40)
Breda is de stad in Brabant met de meeste hotels.
(41)
Avonturen in de kerk van de Oranjeboomstraat.
(42)
Zegeltjes sparen.
(43)
Van voor- en achterkamer naar doorzonwoning.
(44)
Stoeptegels als dominostenen.
(45)
Tjonge jonge, wat stonken die beerputten vroeger.
(46)
Schipper naast Mathilde.
(47)
De Oosterstraat.
(48)
Recycling, vroeger en nú.
(49)
De jeugd van tegenwoordig?
(50)
Een markant gebouw in Breda: het Chassé Theater.
(51)
Gebruiksaanwijzingen.
(52)
En… dan gaan we naar de speeltuin.
(53)
De psychologie in de schaaksport.
(54)
Winkelen in Breda, anno 1970.
(55)
Het is ongelofelijk, hoeveel gehuchten en buurtschappen er rond Breda zijn.
(56)
Van de tribune geplukt.
(57)
Verplichte zwemles in het sportfondsenbad.
(58)
Mijmeringen op een decemberavond.
(59)
Patersven: Eens een gezellige familiecamping.
(60)
Breda heeft ongetwijfeld een centrumfunctie voor de regio.
(61)
Woensdagmiddag: filmmiddag.
(62)
Bisschop Muskens van Breda en zijn ondoordachte
uitspraken.
(63)
Dertig juni 2007: De heropening van de haven in de Bredase binnenstad.
(64)
Ik kreeg eens een steen tegen mijn hoofd.
(65)
Een zondagje Antwerpen in de jaren 50 en 60.
(66)
De geschiedenis kan zich herhalen met nieuwe buurtwinkels.
(67)
Gezelschapspellen in de jaren vijftig.
(68)
Er zit wat troep in de bodem in en rond de Oranjeboomstraat.
(69)
Wie, of welke Bredanaars weten antwoord op deze
prangende vraag?
(70)
Het van Sonsbeeckpark, een speeltuin bij uitstek.
(71)
Stedelijke vernieuwing: van twee kanten bezien.
(72)
Waar je vandaan komt, dat geeft je toch een ‘stempel.’
(73)
Waar een zonnesteek al niet naartoe kan leiden.
(74)
Hoe onze eetcultuur is veranderd in amper een vijftigtal jaren.
(75)
Teveel horeca in de stad Breda?
(76)
Het Valkenberg in de jaren vijftig.
(77)
Nostalgie.
(78)
Buitenlandse nummerborden tellen.
(79)
Is biljarten een echte kroegensport?
(80)
Niets te doen in Brabant als je niet uitgaat.
(81)
Wat hebben we een rotzooi aan de dag van vandaag.
(82)
Een open kluisdeur.
(83)
De handel van de pastoor.
(84)
De Kwakkebollen van de Lourdesschool.
(85)
Geld ophalen tijdens de Mis (deel 2).
(86)
Service Horeca triest.
(87)
Voetbal vond ik vroeger veel leuker.
(88)
Onderzoek naar 52 koopzondagen.
(89)
Breda, Iowa. Ook een Breda in de Verenigde Staten.
(90)
Muziek opnemen met een bandrecorder.
(91)
Smartshops en softdrugs in de binnenstad van Breda.
(92)
Breda van oudsher een internationaal knooppunt voor het openbaar vervoer.
(93)
Zo’n 100 jaar geleden.
(94)
Open stukken land zomaar in de stad.
(95)
Hoe mensen door hun beroep getekend werden.
(96)
Leden van het Koninklijk Huis woonden eens in Ulvenhout.
(97)
Tafeltennissen is heel goed voor je conditie.
(98)
Burgemeester Peter van der Velden wil meer toezicht op de Horeca.
(99)
Vier rode routes in Breda
(100)
Breda en Tilburg: één stad?
(1) De vijftigers en zestigers van
nu, de babyboomers van toen.
Geboren, nog net in het decennium
wat men de jaren veertig noemt van de twintigste eeuw. Dan zou je toch mogen
verwachten dat je opgegroeid bent met veel kennis en verhalen van hoe het
geweest is in de jaren tijdens de tweede wereldoorlog. Enerzijds is dat waar.
Dankzij de media en via boeken en tijdschriften is er een ongelofelijke
hoeveelheid kennis van de Tweede Wereldoorlog op ons afgekomen. Doch… en
dat is misschien wel het allergrootste onbegrepen feit uit mijn jeugdjaren, ik
en velen met mij, hebben niets of vrijwel niets uit eerste hand vernomen van
ouders, grootouders, buren, familie, kennissen en dergelijke. Het niet spreken
over de periode van de bezetting ofwel de oorlog was als een soort niet
uitgesproken overeenkomst. Maar een overeenkomst die wel heel effectief en nauwgezet
werd gepraktiseerd. Die oorlogsperiode, die ontegenzeggelijk toch een grote
impact gehad moet hebben op iedereen die toen bewust leefde, ongeacht status,
beroep, leeftijd of sociale klasse, werd in de grond van de zaak voor ons,
babyboomers, compleet verzwegen of met een zweem van geheimzinnigheid omgeven.
Met meerdere leeftijdsgenoten heb ik hierover wel eens van gedachten gewisseld
en zonder enige uitzondering bleken zij allen min of meer hetzelfde te kunnen
vertellen aangaande die tijd. Zij, die leeftijdsgenoten, die toch veel uit de
eerste hand gehoord zouden moeten hebben, zij wisten namelijk ook bijna niets!
Of in een enkele uitzondering: heel weinig. Geen heroïsche heldendaden,
maar ook geen verschrikkingen. Niets over bombardementen, niets over de angst
die overvliegende vliegtuigen toch veroorzaakten.

Een groot aantal jaren
geleden was ik in Arnhem bij de herdenking van vijftig jaar bevrijding, toen
oude militaire vliegtuigen, waaronder bommenwerpers, als een soort van
herdenking en eerbetoon over het stadscentrum vlogen. Dat was zo reëel,
het was zo dichtbij, zo beangstigend, zo zichtbaar en vooral zó
hoorbaar. Niet dat de tegenwoordige vliegtuigen niet zichtbaar zouden zijn,
maar ze vliegen simpelweg zoveel hoger. Daar in Arnhem, tijdens die Memorial
Day, was het haast tastbaar. Pas toen, na zovele jaren, begreep ik eerst pas
iets van de angst, de dreiging en de spanning waarin de generatie
vóór mij, vóór ons, babyboomers, geleefd moeten
hebben. Des te groter, na die ervaring van die dag, was mijn verbazing en mijn
onbegrip waarom in vredesnaam er zo weinig tot vrijwel niets werd verteld aan
ons, die in die jaren net ná die donkere periode geboren zijn. Zo
verging het mij en mijn medeklasgenoten ook op school. De geschiedenislessen
eindigden met de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918. Niets over de crisisjaren
na de beurskrach van 1929, niets over de oorlog zelf en de eerste, o zo
belangrijke jaren daarna. Bij toeval kwam ik er achter, pas na jaren en jaren
én omdat het me interesseerde, waar bijvoorbeeld de Orts-
Kommandantur gevestigd was in Breda. Op een enkeling
na kende ik bijvoorbeeld geen oud-NSB-ers en dat
terwijl er toch velen geweest moesten zijn. Van de eigen omgeving heb ik nimmer
de verhalen gehoord hoe men een en ander ervaren had. Of men Joden gekend heeft
die weggevoerd werden. Hoe het bonnensysteem werkte. Hoe de Arbeitseinsatz
was verlopen. Wie goed en wie fout is of was geweest.
Of het verenigingsleven
wel of niet stil werd gelegd. Hoe er verduisterd werd en hoe dat zoiets werd
ervaren. Stuk voor stuk toch allemaal ingrijpende zaken in een mensenleven,
zeker als het een periode is geweest van vier lange jaren, althans in het
zuiden. Als kind las je natuurlijk wel eens wat en dan met name over de
schaarsheid, de honger, de onvrijheid en het gemis van bijvoorbeeld zaken die
toen toch ook al voor de oorlog als algemeen goed werden ervaren, zoals vrij
reizen, het luisteren naar de radio, het kunnen kiezen voor wat je leest en
dergelijke. Als kind was ik al erg geïnteresseerd in alle vormen van
media, maar niemand in mijn omgeving wist me, of wilde me toen vertellen, dat
de plaatselijke krant met de bezetter meeheulde. De
krant, toen nog geheten: Dagblad voor Noord Brabant, werd na de oorlog
verboden, maar zoals het meestal gaat werd er een andere naam gekozen (Dagblad
de Stem) en men ging in wezen gewoon door. Hooguit wat personele veranderingen,
maar meer ook niet en zie: er was dan zogenaamd een nieuwe krant. Maar als ik
mij morgen met een andere naam tooi ben ik toch nog wel dezelfde persoon in
denken. Mijn voorkeuren, mijn smaak en mijn eigenaardigheden zullen daardoor
geenszins veranderen. Maar dacht u dat ooit iemand uit de buurt, uit de familie
of kennissenkring mij dit feit had verteld? Mooi niet!

Wat is de achtergrond van
dit fenomeen, want zo noem ik het maar, wat is de psychologie ervan? Niet dat
ik alles wil bagatelliseren, geenszins, maar Breda is toch redelijk en zonder
al te veel kleerscheuren de oorlog doorgekomen! Daarom kan ik me ook niet
voorstellen dat het zó dramatisch is geweest, dat het lijkt alsof er
sprake was van een collectief onderdrukken van gevoelens en ervaringen. En
toch, toch is het wel zo bij velen van mijn leeftijdsgenootjes overgekomen.
Want: “men sprak er niet over.” Zelfs niet op school! Ondanks al
het goede wat ik heb mogen ervaren van de generatie voor mij, is dát,
dat hele oorlogsgebeuren, ons, mij, onthouden. Het leek achteraf wel of men
zich ervoor schaamde. Waarom is ons dat onthouden? Juist de gevoelens en de
ervaringen die zo een speciale en soms ook nare episode gekenmerkt moet hebben.
Want als men ook de nare ervaringen en gevoelens van mensen kent, dan kan men
ze alleen maar beter begrijpen.
Silvia
Videler.
(2) Liften, eertijds mijn meest
favoriete vorm van vervoer.
Je moet er nu, anno 2008, maar niet te diep bij
nadenken, wat het met je doet als ouder, als je zoon of dochter van een jaar of
vijftien, zestien, zeventien, te kennen geeft een grote reis te willen
ondernemen en dat notabene liftende wil gaan doen. Nou wil ik geenszins
suggereren dat mijn ouders zo stonden te springen aangaande mijn idee toen ik
hun de eerste, maar ook de tweede keer bekend maakte dat ik, zeker voor die
tijd, nogal woeste plannen had om de wereld eens wat verder te verkennen, dan
de omliggende plaatsen en dorpen van Breda. Mijn eerste reis vanuit Breda was
overigens helemaal geen vakantie. Het gebeurde alleen tijdens de vakantietijd
en werd ook niet door mij als zodanig aangekondigd. De verhouding tussen mij en
mijn ouders lag in die jaren nou niet bepaald optimaal zullen we maar zeggen.
Oorzaak en achtergrond zijn voor dit stukje niet relevant en ook niet ter zake
doende. Laten we maar stellen dat we grote verschillen van mening en inzicht
hadden en dat was geenszins bezijden de waarheid.

Liften
Ik weet het nog goed. Het was op een
vrijdagmiddag. Gek trouwens dat ik dat nog weet. Maar vraag me geen datum. Selectief
geheugen nietwaar! Ik was 15 lentes, neen, zomers jong en de situatie was
althans in mijn toenmalige optiek onhoudbaar en wel zo dat ik vrijwel
onvoorbereid wegliep van huis. In een tas had ik wat kleren bij elkaar weten te
scharrelen en wat kleine sanitaire zaken waaronder een tandenborstel en mijn
toenmalige kapitaal: wat ongeveer een kleine vijftig gulden bleek te zijn. In
een onbewaakt ogenblik sloop ik het huis uit en nam doodgemoedereerd de
stadsbus tot achter het Heuvelkwartier, vlakbij de Mastbosstraat. Vandaar uit
begon ik al lopende te liften richting: Rijsbergseweg.
Mijn doel was Parijs. Ik verkeerde in het idee dat ik in een dergelijke stad
min of meer onzichtbaar kon zijn en zeker uit de armen der wet kon blijven.
Niet dat ik de wet had overtreden, maar in gedachten zag ik al dat mijn vader
melding van vermissing zou doen en dat zodoende de politie me spoedig zou gaan
opsporen. “Waarom Parijs,” zult u zeggen? Had je wat met Parijs?
Nee, niks, ik kende Parijs niet, was er toen nog nooit geweest en de Franse
taal was nou ook niet bepaald mijn meest favoriete vak op school. Integendeel!
Al lopende en intussen liftende richting de Rijsbergseweg,
overdacht ik dat mijn ouders nooit of te nimmer zouden vermoeden dat ik Parijs
als eerste optie zou kiezen. Nog amper voor het toenmalige cafeetje op de hoek
van de Ritsebaan stopte een auto. Ik ken het merk
nog. Een Borgward Isabella. De vriendelijke al wat
oudere chauffeur dacht ongetwijfeld met een jeugdige vakantieganger te maken te
hebben. Althans dat was het idee wat ik hem probeerde te geven. De man maakte
me het overigens best moeilijk, want de vragen waar ik vandaan kwam en waarheen
mijn reisdoel wel zou zijn, waren toch vragen waarop ik me niet had voorbereid.
Maar ik kon snel improviseren. Ik had een oud-tante in Den Haag wonen en kende de buurt waar zij
woonde zeer goed. Dus in een flits realiseerde ik mij dat ik dan maar uit Den
Haag afkomstig moest zijn en dat als er eventuele vragen kwamen over de buurt
waar ik dan wel zou wonen, dat ik er dan tenminste met enige kennis van zaken
antwoord op kon geven. Maar gelukkig viel dat mee, de man was meer
geïnteresseerd in mijn reisdoel. Nu was ik al zo slim niet gelijk maar toe
te geven dat ik naar Parijs wilde, maar ik verzon een mijns inziens zeer
acceptabele smoes, dat ik naar een jeugdherberg ging ergens diep in
België, tegen de Franse grens, waar al een paar vriendjes en
vriendinnetjes onderdak hadden gevonden. Of de goede man nou zulke vaderlijke
of verantwoordelijke gevoelens had weet ik niet, maar het stomme toeval wilde
dat hij naar Mons (Bergen) in Henegouwen reed. Met een beetje kennis van de
Belgische kaart stelde ik me daar meteen op in en zei hem dat het fantastisch
was dat ik tot Mons mee mocht rijden en dat ik dan mijn vrienden wel zou
bellen, die me vanuit het plaatsje Dour wel zouden komen ophalen. Want dat wist
ik, dat dit plaatsje niet ver van Mons, noch van de Franse grens aflag. Net
vóór de man richting het centrum van Mons wilde indraaien, stelde
ik voor op een doorgaande weg te stoppen, want zo hield ik hem voor, die weg
herkende ik wel van een vorig bezoek aan die stad. Dan kon ik in een cafeetje
even bellen en dan wisten ze precies waar ze me zouden moeten komen halen en
dan hoefden zij niet het centrum in. Of de man het geloofde of niet, hij liet
me rustig uitstappen en ik stapte inderdaad een cafeetje binnen. Dat was het
eerste einde van een spannende tocht. De paar kilometers van Mons tot de grens
waren meer dan afmattend. Ondertussen was het al ruim avond geworden en na lang
wachten en zelfs twee korte liften werd ik vlak voor de grens afgezet. Toen nog
een grens met controle en alles wat daarbij hoort.
Thuis zouden ze inmiddels al aardig ongerust
zijn bedacht ik me zo, maar toch nog niet dat de alarmbellen bij de politie al
waren gaan rinkelen. Dus besloot ik parmantig recht op de douane toe te lopen
en te vragen om een souvenirstempel in mijn paspoort. In mijn beste Frans vroeg
ik om die stempel, welke zonder probleem en met een brede grijns werd geplaatst
in mijn toen nog maagdelijke paspoort. Het eerste stempeltje van wat later en
natuurlijk in latere paspoorten, het eerste was van misschien wel een serie van
honderd stempels en visa. Met een vriendelijk praatje, al is het met een
douanier, bereik je meer dan met een norse blik en zo gebeurde het dat ik met
een kopje koffie op kosten van de Belgische douane en een lekkere sandwich even
later eerste klas gezeten was in een grote Belgische vrachtwagen, die me linea
recta naar de toen meest fascinerende buurt van Parijs bracht: Les Halles. Of wel naar de intussen helaas afgebroken hallen,
waar toen al het voedsel, groente en fruit, vis, wijn en wat al niet meer werd
aangeleverd. Midden in het hartje van de oude stad gelegen. De nachtelijke rit
met de Vlaamssprekende vrachtwagenchauffeur werd eigenlijk alleen maar
onderbroken in een of ander dorpje, waar ik de naam alweer lang van vergeten
ben en daar ik dood en doodop was, heb ik de reis meer slapende dan wakker
ondergaan. In de zeer vroege ochtend kwamen we aan, ik keek mijn ogen uit naar
deze totaal andere stad in vergelijk met de steden die ik al kende. Hier lag
mijn vrijheid dacht ik en besloot op die eerste dag van mijn Franse avontuur de
stad eens goed te gaan bekijken. Het was de Rue
Saint-Denis, een lange smalle en drukke winkelstraat, die parallel liep aan een
grote boulevard, die weer deel uitmaakte van een soort van binnenste ring van
Parijs, waar ik terecht was gekomen. Na wat slenteren en mijn ogen meer dan de
kost gevend, ontwaarde ik een klein rechthoekig bordje bij een grote
groentezaak, waarop men te kennen gaf personeel te zoeken.
Drie tot vier keer de zinnen repeterend in mijn
schoolfrans, stapte ik de zaak binnen en vroeg naar “Le patron,” de baas. Diezelfde dag nog kon men mij al
sjouwende met sinaasappelen, citroenen en zelfs fruit, waar ik de naam niet van
wist te vinden, in de meest kleurrijke en zeer volksrijke Parijse buurt. Ook
een slaapplaats, meer naam mocht het niet hebben, was bij dezelfde werkgever
geregeld en daar ik duidelijk te kennen had gegeven dat het alleen maar voor
“prendre des vacances”
zou zijn dat ik wilde werken, werd er ook niet al te moeilijk gedaan over
verblijfsvergunning, werkvergunning en al die andere akelige dingen. Dus ook
niet over verzekering, belasting en nog meerdere nare zaken. In een paar weken
leerde ik Parijs redelijk kennen en zag ook vele Nederlandse
vrachtwagenchauffeurs, die dagelijks met hun ‘camions’
(vrachtwagens) zaken aan en af kwamen voeren. Eten was geen probleem, vaak at
ik mee met Le Patron et sa femme en qua fruit heb ik
een vitaminereserve toen opgebouwd, waar ik nu nog van profiteer. Na ongeveer
een week of drie, vier werd het me toch allemaal wel een beetje te… Ik
dacht aan school, aan thuis en werd langzamerhand schichtig als ik een paar
politieagenten voorbij zag lopen, terwijl ik aan het werk was. Hetgeen zeer
frequent gebeurde. Ik was als de dood dat ze een praatje met me zouden willen
beginnen, want dan zou ik met mijn afschuwelijk Nederlandse accent direct door
de mand gevallen zijn. Me niet realiserende dat het zomaar, op een goede dag,
mijn laatste dag zou zijn in de Parijse hallen. Mijn baas stuurde me met een trolleycar naar een van de echte hallen om daar bij nummer
zoveel een lading fruit af te gaan halen, die gereserveerd was voor hem. Een grote
dikke chauffeur van een Nederlandse vrachtwagen stond naast de uitgeladen
voorraad met iemand te kletsen en ik zag en hoorde dat hij Nederlander was.
Zijn Frans liet te wensen over en ik bood spontaan mijn hulp aan. Niet dat we
hier veel mee opschoten, maar even later zaten we samen aan de koffie in de
kroeg tegenover mijn werkgever.
Wat me overkwam weet ik niet, maar de man zei
me dat hij in Breda woonde en ik moest ineens mijn verhaal vertellen. Hoe en
waarom, geen idee, het kwam er zo maar uit. De man luisterde en luisterde
alleen maar en toen ik klaar was en mijn traantjes weer onder controle waren
zei hij me alleen: “ik vertrek over een goed uur, zorg dat je bij de
wagen staat, dan ben je vanavond nog waar je hoort te zijn.” Het afscheid
van de ‘patron’ was toch emotioneler dan
ik gedacht had. Ik kreeg wat ik nog tegoed had en pakte m’n boeltje bij
elkaar om me ruimschoots op tijd te melden in de hallen bij de vrachtwagen, die
oorspronkelijk uit Prinsenbeek afkomstig was. Nog geen twaalf uren later werd
ik door een goedmoedige maar best bezorgde chauffeur afgezet in de
Oranjeboomstraat. Pal voor mijn ouderlijk huis. De man wilde niet mee naar
binnen maar wachtte wel af, totdat ik binnen was alvorens hij weer gas gaf.
Silvia Videler.
(3) Mijn oma kon
heel goed verhaaltjes vertellen.

Oma Wittenbols
Mijn oma heette met haar
eigen naam: Adriana Bernaards en is op 30 augustus
1890 geboren in Steenbergen. Maar al snel hierna verhuisde ze met het gehele
gezin naar Halsteren, waar ze verder opgroeide. In haar latere leven ontmoette
ze toen Martinus Wittenbols (mijn opa) en zijn toen getrouwd. Mijn opa woonde
al in Halsteren, waar trouwens zowat al mijn voorouders vandaan komen. Doch,
mijn opa werkte destijds als uitvoerder bij de Bredase aannemer Vriens en had
veelal zijn werkzaamheden in en rondom Breda. Het was toen natuurlijk veel
gemakkelijker om in Breda te gaan wonen. Het werd uiteindelijk de Eggestraat
nummer 28 in Breda. Dat moet zo ongeveer in 1930 zijn geweest. Mijn opa kwam al
vroeg te overlijden. Op zijn vijftigste kreeg hij een hartstilstand en mijn oma
bleef verder tot haar dood in 1966 daar alleen wonen. Mijn oma had een
bijzondere gave. Ze kon honderden verhalen, waarvan vele sprookjes, zo uit haar
‘blote’ hoofd vertellen. Sommige daarvan duurde wel eens ’n
uur lang. Ik ben nooit te weten gekomen waar ze die verhalen precies vandaan
haalde, maar ik denk dat ze veel boeken heeft gelezen. Kijk, er waren veel
mensen die goed uit boeken konden voorlezen. Maar zij had de eigenschap om
zo’n boek geheel in haar gedachten te nemen en kon dan feilloos, tot in
de details toe, het zo navertellen. Dat deed ze dan toch wel op een
indrukwekkende wijze, met veel expressie en gelaatsuitdrukkingen daarbij.
Als wij, in onze
kindertijd, bij oma op visite gingen dan was het geheid weer vertellen geblazen
en dat vonden we heel fijn, om daar naar te luisteren. Vaak waren we met ons
gezin niet alleen. Ook de kinderen van mijn tante waren er dan en ook nog
gewoon een aantal kinderen die daar in de buurt woonden. Je had dus al gauw
zo’n twintig kinderen in de kamer, die dan zeer aandachtig naar haar
verhalen zaten te luisteren. Zelfs onze ouders zaten aandachtig mee te
luisteren. Je hoorde, ondanks een ‘kot vol,’ slechts de stem van
mijn oma. Als ze met een verhaal begon maakte ze al gelijk veel indruk: ik noem
even een voorbeeld, wat nog steeds goed in mijn geheugen ‘hangt.’
Zo begon ze: “er was eens een ‘héééél’
groot bos.” Tegelijkertijd maakte ze dan met haar armen een grote
denkbeeldige cirkel, waarbij alle kinderen plotsklaps het gevoel kregen alsof
ze ook in dat bos waren. Meestal beperkte zij zich tot 2 of 3 verhalen en dan
vond ze het weer even genoeg. “De volgende keer gaan we weer
verder,” zei ze dan. Vaak bleven we dan nog rustig zitten, om even bij te
komen van de spanning, die het verhaal met zich mee had gebracht. Een halve
middag was dan reeds voorbij en gingen dan meestal toch wel naar buiten. Want
je had aan de overkant, zo tegen de Teolin aan, van
die bomen waar je fijn kon inklimmen. Of we gingen naar het eind van de straat
alwaar er een speeltuintje was. Voor verkeer behoefden we daar toen niet bang
te zijn. Ten eerste was het in de beginjaren vijftig sowieso al niet druk. Ten
tweede was de Eggestraat vroeger een min of meer een doodlopende straat. Achter
het speeltuintje had je nog een voetbalveld en daar weer achter hield Breda op.
Mijn oma was ook heel gastvrij.
Praktisch elke zondag kon je de jeugd daar uit de buurt in haar woonkamer
terugvinden. Ze stelde gewoon haar huis open en daar werd door de jeugd
dankbaar gebruik van gemaakt. Ze had altijd drank in huis in meestal de vorm
van limonadesiroop. Dus ze kregen ook allemaal wat te drinken en koekjes waren
altijd ruimschoots in voorraad. Nou heb ik het over de jeugd die toen toch al
wel de leeftijd van tussen de 16 en 18 jaar hadden. Uiteraard meisjes en
jongens bij elkaar. Deze jeugd zag de woonkamer van mijn oma min of meer als
een ontmoetingsruimte, voor de toch al wel aanwezige verliefdheid van deze
aankomende volwassenen en menig verkering is daaruit ontstaan. Vaak ging ik als
kleine jongen op de fiets wel eens naar mijn oma toe en kon dan nog amper
binnenkomen, zo druk was het altijd. Ook maakten ze vaak een dansje op vaak
toch wel oude muziek die mijn oma op haar grammofoon draaide. Maar dat maakte
natuurlijk verder niks uit. Ondanks ik me, toch wel als 10-jarige, te klein
voelde tussen al deze personen, was ik natuurlijk toch welkom en kreeg
uiteraard net als hun gewoon te drinken en te knabbelen en keek dan ondertussen
naar het dansen daar in die kamer. Momenteel woont er in dat huis nog steeds
een echtpaar, die toen half jaren vijftig, in de woonkamer van mijn oma, elkaar
hebben leren kennen.
Kees
Wittenbols.
(4) Een kleine ode aan de
ondernemers van Breda.
Onlangs heb ik weer eens
genoten van een korte zwerftocht in mijn oude en o zo vertrouwd voorkomende
stad. Ik denk dat elk mens dat heeft. Zoekende en kijkende naar
herkenningspunten, aanknopingspunten, herinneringen van weleer. Ik ben in deze
niet veel anders. Ik woon nu al meer dan 20 jaar in dezelfde stad en ik weet
daar winkelstraten waar er haast niet een zaak, winkel of bedrijf meer is
gevestigd van de tijd dat ik in deze plaats kwam wonen. Maar Breda heb ik
inmiddels al veertig jaar achter mij gelaten en wat blijkt, in Breda zijn er
nog vele, zeer velen bedrijven die er nog steeds zijn, maar die er veertig jaar
geleden ook al waren. Dat zegt veel van een stad, van de mensen en van de sfeer
én de mentaliteit. Het zegt wat over de standvastigheid, het
doorzettingsvermogen, de kansen, de inzet en de trouw van de klanten. Dan moet
ik bijvoorbeeld denken aan diverse horecabedrijven. Met name horecabedrijven
veranderen net zo makkelijk van naam en eigenaar als de euromunt in mijn
portemonnee. Maar wat is het dan prettig als oud-Bredase in de stad rond te
lopen en bijvoorbeeld het cafetaria van Piet Schraven
aan de Nieuwe Haagdijk nog in volle glorie te zien en wat bleek? De frietjes en
kroketten zijn nog steeds van dezelfde prima kwaliteit.

Cafetaria
Piet Schraven – Nieuwe Haagdijk
Ook Fer
Verstrepen met zijn Friture
d’Anvers op de hoek van de Haagweg
en de Oranjeboomstraat. Niet weg te branden. Schuin er tegenover: Het Hollandsch Koffiehuis, inmiddels wel van eigenaar
veranderd, maar van binnen is de binnenhuisarchitect toch van een koude kermis
thuisgekomen. Hij heeft er in elk geval niks verdiend. Datzelfde geldt voor het
alleraardigste kroegje aan de hoek van de Haagdijk en de Nieuwe Huizen. Het is
alleen iets bruiner geworden. Slagerij Kouwenberg, weliswaar niet meer
gevestigd aan de Vincent van Goghstraat, maar nog wel aan de Nieuwe Haagdijk en
het ziet er even fris en goed uit als vroeger bij de ‘oude’
Kouwenberg. Maar even terug naar de Horeca. Wat te denken van het Bredase
fenomeen de Franciskaner op de Grote Markt? Niet
noemenswaardig veranderd. De sfeer is er nog als vanouds. Zeker mag dat ook
gezegd worden van café-restaurant Het Voske op
de Grote Markt. Zowel qua sfeer als kwaliteit heeft het in de loop der jaren
niets ingeboet. Op diezelfde Markt is er nog steeds boekhandel van Turnhout,
die zich toch ondanks grote concurrentie nog niet heeft laten verjagen. In de
Veemarktstraat vond ik verlichtingszaak Frans Verheijen nog steeds op dezelfde
plek. Wel erg gemoderniseerd, maar toch nog herkenbaar. Zelfs op de Havermarkt
was tot mijn grote verbazing de Suikerkist nog te vinden. Ik hoop dat ze mijn
laatste bonnetje van bijvoorbeeld 1967 niet meer bewaard hebben! Want met rente
zou dat nu toch een aardig duur pilske geworden zijn.
Dan het totaal niet veranderde café van Boerke Verschuren op de
Ginnekenmarkt. Het was alsof ik nooit was weggeweest. Alles, letterlijk alles
was nog zoals het toen was. Ook in Princenhage bij
café-restaurant Het Roode Hert was het een prettig en aangenaam
én herkenbaar weerzien.

Slagerij
Kouwenberg – Nieuwe Haagdijk
Toen ik over de aloude
Haagdijk liep zag ik tot mijn stomme verbazing de hoedenzaak van J. Bergè nog in vol bedrijf. Terwijl mijn inmiddels al
lang overleden vader wel eens foeterde nergens meer een fatsoenlijke hoed te
kunnen kopen, om op zijn toen inmiddels kompleet
‘kale knar’ te zetten. Hij had het eens moeten weten! Zeker mogen
we Hotel van Ham aan het Van Coothplein niet
vergeten. Mijn laatste keer in Breda heb ik er zelfs gelogeerd. Ik zou er heel
wat op willen verwedden dat de smyrna tafelkleedjes nog dezelfde zijn, als waar
ik als tiener slagroom op gemorst heb. De hotelkamers waren eveneens nog anno
1967, maar daarom niet minder slecht. Zelfs de postzegelhandel in de Passage
was er nog en ook bekende namen zoals Relik van
Hooft, Presburg schoenen in de binnenstad en de friettent van Christ aan de Keizerstraat. In de Oranjeboomstraat bleek
zelfs garage Oveka de tand des tijds goed te hebben
doorstaan en juwelier Pertijs aan de Weerijssingel had weliswaar weer een huis aan zijn imperium
toegevoegd maar… ze waren er nog! En hoe! Likkebaardend heb ik de etalage
staan te bekijken. Gelukkig voor mijn card, het was ná sluitingstijd.
Tientallen zaken ontbreken nog in deze rij, maar wellicht vernoem ik die naar
aanleiding van een volgende nostalgische strooptocht. Al met al was ik zeer
aangenaam en blij verrast door de vasthoudendheid en vastberadenheid van zovele
Bredase ondernemers. Toch een teken dat het goed toeven is in de parel van het
zuiden.
Silvia
Videler.
(5) In Nederland lijken de
binnensteden allemaal op elkaar.
Met dit zeer lezenswaardig
en informatief artikel, werden wij verrast door Jessica van Geel in BN/DeStem. Het bedoelde artikel opende met de stelling dat wij
met onze euro’s vooral de kassa’s spekken van de grote
winkelketens, die steeds meer en meer het beeld domineren in de binnensteden.
Zij geeft dan een heel overzicht, van waaruit blijkt, dat die winkelketens vaak
ook nog eens tot een en dezelfde eigenaar blijken te behoren. Zo gaf zij het
voorbeeld: als u ontevreden of boos bent op Bart Smit en dan daarom, maar zij
het noodgedwongen naar Intertoys gaat, het de
aandeelhouders van deze ‘clubs’ niks uitmaakt, want het blijkt tot
een en hetzelfde consortium te behoren. Ook stelt zij en zeer terecht, dat de
winkelstraten in de binnensteden er steeds meer en meer hetzelfde gaan uitzien
en dat dit mede het gevolg is van de stijgende huurprijzen van winkelpanden,
die soms wel meer dan 1000 euro per maand kosten. Dat dit soort huurprijzen
nauwelijks meer zijn op te brengen voor een kleine zelfstandige, zal menigeen
duidelijk zijn.
Dat de verscheidenheid van
winkels steeds meer afneemt is óók een feit. Kijk maar eens rond,
in om het even welke binnenstad van Nederland en dat geldt evenzo goed voor
België. Gerrit Sluiskes van MKB-Nederland pleit
volgens het artikel dan ook voor een goede variatie van winkelketens en…
kleine specialistische winkeltjes. Persoonlijk denk ik dat dit laatste
hét antwoord is voor de redding van onze binnensteden. Anders krijgen we
Amerikaanse toestanden, waar dikwijls het beeld al zo is dat de binnensteden
verloederd zijn en buiten het centrum aan de randen van de steden enorme grote shoppingmalls zijn ontstaan, met een zee aan
parkeermogelijkheden, maar wel zonder enige sfeer en ambiance. Als we kijken
naar de opzet van onze nieuwe woonwijken, dan is het patroon van Groningen tot
Maastricht eender. Honderden, zoniet duizenden min of
meer dezelfde woningen en in het midden van dat ‘grauw’ een al of
niet overdekt winkelcentrum, met ook weer een aantal zaken die tot de
landelijke ketens behoren zoals AH, Blokker, Haar, Etos of het Kruidvat en Gall
& Gall enzovoorts.

Ginnekenweg
– Breda
De binnensteden zelf zijn
al helemaal bijna uitsluitend, op wat horeca na, vergeven van de
filiaalbedrijven en dan denk ik aan de Hema, V & D, Voss,
Yves Rocher, Mexx, Xenos. Bovendien ook nog eens de grote schoenenketens en
zoals ik het wel eens spottend noem: de spijkerbroekenwinkels. Gelukkig hebben
wij in Breda, zoals in onze wijk, nog een aantal winkels, die tenminste een
stukje eigenheid hebben en niet vanuit een of ander bureau in Amsterdam of
elders worden gedicteerd en gedirigeerd. Als deze tendens doorzet, dan vrees ik
het ergste voor onze binnensteden, maar het is aan het publiek om deze
‘tsunami’ van winkelketens een halt toe te roepen. Het gaat die
winkelketens tenslotte om uw en mijn euro’s. Niks meer en niks minder.
Dat de pluriformiteit en de eigenheid en het karakteristieke van een stad
daarmee naar de Filistijnen gaat, dat zal hen een ‘grote worst’
wezen. De eigenaren van die winkelketens zien het amper, want die zitten in
hele verre oorden onder een blakende zon de winsten te tellen van hun ketens en
zich waarschijnlijk steeds meer realiserend, dat u als consument meer en meer
afhankelijk bent gaan worden van hun filialen. Maar toch, toch is het nog niet
te laat om het tij te keren. U en ik als consument maken tenslotte uit waar we
onze centen brengen. Als steeds meer mensen zich bewust worden van het feit,
dat bestedingen bij die grote winkelketens ertoe bijdragen dat ons stadsbeeld
daardoor een eenheidsworst gaat worden, dan kunt u zich ook eens gaan afvragen
of u niet beter uit bent bij die kleine zelfstandige. Die vaak ook nog prijzen
hanteren die daadwerkelijk kunnen concurreren met de grote winkelketens. Want
het ‘gemene’ van die grote winkelketens zit ‘m vaak in een
paar met veel ‘geschreeuw’ gebrachte lokkertjes, die desnoods onder
de reguliere inkoopsprijs worden aangeboden, maar de overige artikelen zijn
vaak evenzo duur en soms duurder dan bij die kleine zelfstandige, een paar
straten buiten het centrum.
Daarom pleit ik om de
leefbaarheid van onze wijken en stad te behouden en ik beperk me dus tot onze
buurt, om wat meer te kopen en te besteden bij de dikwijls hardwerkende
winkeliers van onze eigen wijken, van bijvoorbeeld die op de Haagweg, de Nieuwe Haagdijk en de Haagdijk. Of anderszins
op het Dr. Struyckenplein. Hoewel ik zelf nog niet in
Breda woon, maar ik ga er vaak heen, dan koop ik mijn zaakjes heel bewust niet
in de grote filiaalbedrijven, doch bij de zelfstandige bedrijfjes in de
bovengenoemde straten. Zeker voor de ouderen onder ons refereer ik aan de zaken
die eens onze wijk zo leefbaar en plezierig hebben gemaakt en waarvan de meeste
zijn moeten afhaken. Zij, de wat ouderen onder ons, kunnen het als geen ander
beamen dat het een groot verlies is geweest en dat het de leefbaarheid en het
plezierig wonen daardoor in ieder geval niet is verbeterd. Wedden dat
bijvoorbeeld het vlees van een ‘verse slager’ beter smaakt dan die
voorverpakte handel, met een mooie schnitzel aan de bovenkant en een wat minder
uitziende aan de niet zichtbare onderkant van het pakje? Zo zijn er legio
voorbeelden te geven. Ik hoop echt dat een volgende generatie ook nog de keuze
heeft uit meerdere mogelijkheden en niet gedwongen is alles in
‘super-mega-stores’ te moeten kopen, zonder ‘kraak of
smaak.’ Het antwoord hierop is nog steeds aan de consument, aan u en mij!
Silvia
Videler.
(6) In het Mastbos wemelde het
altijd van de militairen.
Vooral in de beginjaren
vijftig was het Mastbos het domein van de militairen. Uiteraard waren er
dagelijks grote groepen aanwezig op de schietbaan, achter de kogelvanger. Doch,
deze zag je dan de rest van de dag niet meer. Wat je wel zag dat waren de grote
groepen militairen, die dan toch wel vaak door de Oranjeboomstraat heenliepen,
die onderweg waren naar die schietbaan en uiteraard naar andere gebieden in het
Mastbos. Maar ook op andere plaatsen in de stad kwam je dikwijls hele grote
groepen tegen. De Galderse Heide leek soms meer op
een oorlogsgebied, dan op een plek waar je als gewoon burger wat rust wilde
vinden. Toch mocht je wel naar hun verrichtingen kijken. Wel graag op afstand!
Je werd zeker niet door hun weggestuurd, maar je bleef vanzelf toch wel uit hun
buurt. Er werd ook geschoten, maar dat ware gewoon losse flodders en voor mij toch
wel leuk om dit allemaal te kunnen zien. Uiteraard alleen op een
woensdagmiddag. Ook reden er veel legervoertuigen over de Galderse
Heide heen. Er werd destijds flink geoefend daar. Vooral het graven van
schuttersputjes leek wel een ‘must’ voor deze lieden. Je kon vele
van deze putjes vaak terugvinden in de nabijheid van een eenzame boom op die
hei. Dat zal wel strategische bedoelingen hebben gehad. Maar uitgerekend bij
het graven had je de grootste moeite om door de wortels van deze bomen, of wel
eens struiken, heen te komen. Een beetje sadisme kon je het kader wel
aanrekenen, want hun bepaalden waar je moest graven. Dat dit een
‘heidens’ karwei was hoef ik u natuurlijk niet te vertellen. Ik heb
dat uiteraard ook allemaal meegemaakt, maar dan in de jaren zestig. Maar dan
niet in het Mastbos. In mijn tijd werd alleen op plaatsen geoefend waar het
voor de burger verboden was om er te komen. Als zo’n dag voor deze
dienstplichtige militairen er weer opzat, verzamelden ze zich en in een enorme
lange colonne gingen ze dan weer te voet, naar een van de diverse kazernes die
Breda rijk was.

Ook het Cadettenkamp was een
geliefd oord voor de militairen. Daar werd ook met tanks geoefend en dat was
heel spectaculair om dit van kortbij te kunnen zien. Op het Cadettenkamp waren
het wel voornamelijk de militairen van de KMA die hier oefenden. Ook hier werd
tijdens het oefenen er behoorlijk op los geschoten. Ik weet zelf nog wel van
mijn diensttijd dat je lege hulzen steeds mee moest nemen. Doch, er waren er
altijd wel bij die ze gewoon lieten liggen. Hier ging ik dan later altijd naar
op zoek en vond er altijd wel wat en nam ze dan mee naar huis. Toch heb ik wel
eens nog gave kogels zien liggen en ik vond dat toch wel eng. De kogelkopjes
zaten er dan nog op en ik besefte toen al wel dat ik die beter kon laten
liggen. Immers de volgende dag waren er toch weer militairen en die zouden die
kogels wel zien liggen. Je kon gerust zeggen dat het halve Mastbos, vooral in
de buurt van de Galderse Heide, een groot
oorlogsgebied leek. Ook op de hoeken van een van de vele paadjes zat dan een
groepje, op wacht zeg maar en die hadden dan ook nog een mitrailleur opgesteld
staan. Maar die heb ik nooit af horen gaan. Het kwam ook wel eens voor dat er
militairen gewoon door de straat liepen en dan de opdracht van de commandant
kregen dekking te zoeken en dan schoten ze diverse tuintjes in met het geweer
in aanslag. Dit heb ik onder andere ’n keer gezien ter hoogte van waar
later garage Mion werd gebouwd in de Dr. Struyckenstraat. Dat stukje grond was toen een grote
woestenij en dus uitstekend geschikt voor hun om even te gebuiken
als ’n stukje oorlogsgebied. Zomaar midden op de dag. Zulke dingen zie je
natuurlijk niet meer aan de dag van vandaag. Ja, de Tweede Wereldoorlog was nog
pas enkele jaren afgelopen en er moest toen op allerlei manieren nog worden
geoefend. Dus ook gewoon op straat.

Cadettenkamp
– Teteringen
Wat destijds ook zichtbaar
was voor ons, dat waren de oefeningen die werden gehouden op de
Chassé-kazerne. Dat was best wel een groot stuk grond en daar ging ik
dan ook wel eens naar kijken. Ook hier werd met tanks gereden en ook werd er
soms geschoten. Dan had je ook nog een stormbaan. Die stond toch wel vrij dicht
gesitueerd nabij de afscheiding en dat was best leuk om te zien. Behalve toen
ik later zelf hier aan mee moest doen. Maar dat lijkt mij voor iedereen wel
duidelijk. Je kunt dus gerust stellen dat het Mastbos in de jaren vijftig een
veilig oord was om er te verblijven, want het was er druk zat en je genoot min
of meer van een gewapende bescherming!
Kees
Wittenbols.
(7) Sparen en verzamelen, de hobby
van menigeen in vervlogen jaren.
Vraag de kinderen vandaag
de dag eens of ze misschien iets sparen. En dan bedoel ik niet geld in de
spaarpot. Want die is er ook al lang en breed uitgegooid. Dat doe je toch
immers ook elektronisch nietwaar? Neen, met sparen bedoel ik datgene wat wij
vroeger als kinderen spaarden. Dat vind je bijna nergens meer terug bij de
jeugd. Lieve God, dat kon van alles zijn. Ik weet niet wat ik allemaal heb
gespaard. Materialistisch als ik was spaarde ik natuurlijk postzegels. Daarover
dadelijk meer. Ga er maar even voor zitten: u kon vroeger zowat alles bij mij
kwijt. Sigarenbandjes, suikerzakjes, bus- en tramkaartjes, treinkaartjes,
autoplaatjes van het merk Full Speed; een Virginia sigaret in een geel pakje.
Plaatjes van schepen van het sigarettenmerk Captain Grant en vliegtuigplaatjes
van het merk Croydon. Bazooka-kauwgom-wikkels met korte leuke strips. Sjors- en
Sjimmie-albums, oude Donald Ducks en de ‘Sjors’ met achterop
verhalen van Billie of Bessie Turf en meester Kwel.
Stapels van die dingen had ik en ik koesterde ze als kostbare kleinoden.
Lucifermerken, bierviltjes van diverse biersoorten en niet te vergeten speldjes
en later ook balpennen. Daarnaast ben ik ook kranten gaan verzamelen. Neen,
geen oude kranten voor een zakcentje, dat deed ik ook. Maar ik knipte de koppen
van kranten af. De titels, dáár ging het om. Natuurlijk Dagblad
de Stem. Ook de Telegraaf enzovoorts. Spannender werd het als je als kind
bijvoorbeeld de Drentsche en Asser Courant te pakken
kreeg. Of de Graafschapbode. Nog mooier was het om
buitenlandse titels te bemachtigen. De Gazet van Antwerpen en Het Laatste
Nieuws waren simpel te verkrijgen. Doch titels zoals de Ossevatore
Romano of de El Pais uit Madrid, daar was je apetrots op. De enige waarvan ik
weet had die zo eenzelfde hobby had was Ton Wittenbols uit de Oranjeboomstraat.
Die had ook een indrukwekkende stapel titels en wist er veel vanaf.

De sigarenbandjes waren
niet mijn meest favoriete item om te sparen. Toch waren er aardig wat kinderen
en ook ouderen die deze hobby wel beoefenden en dan was mijn insteek:
sigarenbandjes ruilen tegen bijvoorbeeld postzegels of andere belangrijke zaken
die ik op dat moment spaarde. Suikerzakjes spaarde ik ook, maar met een grote
maar. Ik moest er zelf geweest zijn in een dergelijk restaurant of café,
anders waren ze me niet interessant genoeg. Het was eigenlijk meer een soort
van terugkijkboek waar we ooit wel eens geweest waren. En de andere
suikerzakjes waren dus weer goed ruilmateriaal. Helemaal gek was ik van bus- en
treinkaartjes. Deze hobby bleef totdat men kaartjes uit zo een rond machientje
begon te halen die elke bestuurder van een bus naast zich had staan en die er
na verloop van tijd overal hetzelfde uitzagen. Toen was de gein eraf. De BBA
had bijvoorbeeld diverse gekleurde kaartjes. De goedkoopste waren indertijd de
gele van tien centen. Later vijftien centen en zestien centen en nog veel meer
soorten. Daarnaast had je ook relatief zeldzame groene kaartjes voor de bus
naar Galder (lijn 7) en die kostte wel 35 centen. Treinkaartjes daar kon je
helemaal een tijd mee zoet zijn. En dan vooral zoeken rond en in de
prullenbakken ná de controle bij de stations. In die tijd was er nog een
uitgangscontrole. In zo’n hok, vlak bij de uitgang zat dan meestal een
wat oudere en doorgaans dikke controleur gepropt, die iedereen die het perron
verliet zijn of haar kaartje alsnog van een gaatje voorzag. Er waren wel
duizend soorten. Breda-Rotterdam bijvoorbeeld. Een bruin-wit kartonnetje met
daarop de plaats waar je het kocht en de plaats waarheen je wilde. Heel simpel
en zeer efficiënt. De eerste-klas-kaartjes waren groen-wit. Natuurlijk was
het spannender om kaartjes te hebben van Groningen naar bijvoorbeeld Delfzijl.
Die had haast niemand en waren dus héél zeldzaam, althans in de
kleine kring van kaartjesspaarders. Want dát waren er nou ook weer niet
zoveel! Soms kwam je elkaar wel eens tegen als je liep te snuffelen en te
zoeken op of bij het station. Dan was het natuurlijk ook ruilen geblazen en
heel soms werd er ook (klein) geld voor geboden. Maar dan moest de
reisbestemming toch wel erg exotisch zijn geweest. De gulden regel was
duidelijk: hoe verder het kaartje, de bestemming, verwijderd was van Breda, des
te waardevoller het kaartje was. En vond maar eens een dubbel kaartje naar bijvoorbeeld
Sneek, die vond je van zijn levensdagen niet. Die waren pas echt zeldzaam!
Een echte spaarder, zoals
ik, die had ook altijd een tas vol wisselgeld bij zich. Zo waren er ook
plaatjes van voetballers. Ik weet niet meer bij welke chocolade of koffie die
gegeven werden, maar dat interesseerde me ook geen zier. Doch, de plaatjes zelf
zou ik nooit weggooien. Ik kende zelfs zonder verstand te hebben van voetballen
welke speler goed in de markt lag en welke minder. Want die plaatjes kon men
dan bij mij weer verkrijgen tegen postzegels of autoplaatjes van de Full Speed
sigaretten. Zo was er eens een plaatje van de Full Speed waarop een oude
Hudson-auto opstond. En wat ik ook maar probeerde, het lukte me niet dát
ene plaatje te bemachtigen. Gelukkig waren het niet alleen kinderen die van
alles en nog wat spaarden. Ook ‘grote mensen’ spaarden als gekken.
Zo kwam ik aan de weet dat een onderwijzer op school het felbegeerde
Hudsonplaatje in zijn bezit had. Helaas, deze goede man was ook niet van
gisteren en wist dat ik er een levendige ruilhandel op nahield. Uiteindelijk
kreeg ik het door mij o zo gewenste autoplaatje van de Hudson in bezit, maar
moest er wel zeker 4 voetballers voor inleveren. De man in kwestie grijnsde van
oor tot oor en had de deal van zijn leven gemaakt. Zo leefde dat sparen in die
jaren. Ruilbeurzen, nou ja, ruilen, meer kopen en verkopen, geschiedde ook op
zaterdagen in de oude Vismarkthal tegenover het oude belastingkantoortje aan de
Vismarktstraat. Daar waren het voornamelijk postzegels en munten. Maar ook
andere zaken werden er stevig verhandeld. Zo waren er diverse winkels voor
verzamelaars. In de Passage bij de Nieuwe Ginnekenstraat had je van der Plas
zitten (ik geloof dat hij zo heette). Deze zaak had werkelijk van alles. En ook
in de Prins Hendrikstraat zat een sigarenzaakje met een uitgebreide collectie
postzegels voor de verkoop. Deze was trouwens veel goedkoper dan in de Passage.
Doch, er waren best meerdere zaken die van allerlei zaken verkochten die de
mensen spaarden en deze winkels genoten mijn allergrootste belangstelling. Op
de Haagdijk was een lectuur- annex tabakswinkeltje, die soms ook best leuke
postzegels had en er tegenover zat van Rijt, een sigarenzaak, die ook
postzegels verkocht. Helaas was deze man niet een echte kenner en kon zich
amper inleven in juist datgene waar je naar op zoek was.

De topper was echter de
eerste zondag van de maand. Dan kwam de crème de la crème van postzegelminnend Breda bij elkaar in een grote zaal boven
restaurant de Graanbeurs in de Reigerstraat. Tussen de bioscoop en de
toenmalige Dagblad de Stem. Vanaf tien uur in de ochtend kon je er terecht tot
zeker twee uur in de vroege middag. Tientallen verzamelaars en sjacheraars
waren daar dan te vinden. Je moest er overigens wel lid van zijn want niemand
had zomaar toestemming en er was zowaar een soort van ballotage-commissie.
Niet dat je nou een bepaald inkomen moest hebben of zoiets, maar je moest toch
wel redelijk eerlijk zijn anders kon je ophoepelen. De voorzitter was een
politieagent, ene van de Mee uit de Vincent van Goghstraat en bijgestaan door
een mijnheer Hartman. Ook een verwoede verzamelaar en een goudeerlijke vent.
Bij hem kon je gratis en goed taxaties laten doen. Bij de voorzitter deed je
dat maar beter niet. Zeker niet als hij de zegels zelf wel graag wilde hebben.
Deze officiële vereniging deed ook mee aan tentoonstellingen en die waren
zowel in Nederland als in het buitenland. Helaas zagen mijn ouders niet de voor
mij noodzakelijke behoefte om af en toe eens ver op reis te gaan naar de een of
andere tentoonstelling. Ik kon ze van veel dingen overtuigen maar dat is mij
jammer genoeg nooit gelukt. Heel veel volwassenen in onze oude buurt waren wel
op de een of andere manier bezig met het verzamelen van om het even wat. En
altijd heb ik dat vroeger als een leuke en spannende bezigheid ervaren. Met
verzamelen ben ik zogoed als geheel gestopt.
Postzegels zijn in wezen veel en veel minder interessant geworden. Zeker met al
die nieuwe soorten van zelfklevende zegels en pakjes postzegels, of zelfs en
dat is nog erger: voorgedrukte zegels via een automaatje bij het postkantoor.
Neen, de Nederlandse posterijen hebben er zelf veel aan bijgedragen dat de
animo voor het postzegels sparen aardig tanende is geworden. Plaatjes van
sigaretten sparen is al helemaal niet meer ‘in,’ want rokers worden
als halve criminelen gezien, dus die ga je zeker niet via kinderen motiveren
nog meer te kopen. Lucifers liggen in het verlengde. Suikerzakjes zijn klontjes
geworden of van die lange zakjes zonder eigenheid. Sigarenbandjes…? Nog
even en je krijgt een bekeuring en is dat ook al illegaal als je die dingen
rookt en krantentitels, ach er zijn er nog maar een paar in Nederland, die gein
is er ook al vanaf. Het enige wat nog een beetje leuk is, zijn munten
verzamelen. Maar met de euro wordt er dat mijns inziens ook niet echt leuker
op. En om nou allemaal dezelfde soort munten met een aan slechts een kant
afwijkende afbeelding te gaan sparen? Overigens dat is ook slechts voor
kapitalisten weggelegd. De gehele euro-reeks haal je voor een paar tientjes op.
En dan de echt interessante reeksen zoals die van het Vaticaan, San Marino en
Monaco bijvoorbeeld, die kosten je een vermogen! Conclusie: verzamelen was
vroeger leuk en spannend, maar ook bereikbaar voor haast iedereen. En nu is het
helaas wel erg, erg commercieel geworden. Jammer maar waar.
Silvia
Videler.
(8) Het carnaval is niet meer zoals
het eens was.
En ook nog even iets over de Sint en de kermis.

Half in de jaren vijftig
was het met de optocht veel en veel drukker als tegenwoordig. In die tijd had
Breda zo tussen de tachtig- á honderdduizend inwoners, maar het was
wél minstens vijf maal zo druk. Laat ik nou toevallig dit jaar ook de
optocht gezien hebben. Ja, dat krijg je, als je kleinkinderen hebt en de ouders
moeten werken. Maar ik vond het heel leuk. Zeker om die kinderen zichtbaar zien
staan te genieten. Ik was minstens 25 jaar niet meer naar de optocht geweest.
De sfeer was als vanouds. Doch, er was toch wel wat veranderd. Helaas iets
negatiefs. Dat de optocht in Breda vaak voor geen meter opschiet is ook als
vanouds. Maar deze keer was het wel heel erg. Ik overdrijf niet, want het
gebeurde regelmatig dat het ’n kwartier duurde, voordat er een volgende
groep aankwam. Dat is natuurlijk niet leuk voor die kinderen en zelfs voor mij
niet. Wat ook heel sterk opviel was dat er maar weinig ‘levende’
muziek bij was. De meeste wagens hadden gewoon ’n een of andere geluidsinstallatie
bij zich en draaide dan muziek, die zo hard was dat ik al mijn ingewanden
voelde bewegen. Wat te denken van die kleine kinderen. Ik moest elke keer
m’n handen voor hun oren houden. Het was gewoon niet om aan te horen!
Helaas, de gezellige ‘dweilbands’ waren maar op één
hand te tellen. Druk was het ook niet echt. Slechts één rij, met
grote open plekken daartussen. Nou, in de jaren vijftig moest je al uren van te
voren van huis om nog een goed plekje te hebben en dan stond het echt rijen dik!
Wij gingen vroeger meestal op de Haagdijk staan en dan moest je ‘van
goeden huize’ komen om alles goed te kunnen zien, vanwege het soms enorme
gedrang van de mensenmassa. Dat is echt verleden tijd! Carnaval werd vroeger
veelal op straat gevierd. Duizenden mensen verzamelden zich dan op de Grote
Markt en dan was het daar een grote, zingende en deinende massa. Met vierde het
carnaval zoals het in feite behoorde te zijn. De cafés zaten natuurlijk
ook wel stampensvol en overal werd muziek gedraaid,
maar niet iedereen kon het zich permitteren daar naar binnen te gaan, want veel
geld had men toen nog niet, om zo maar even een aantal pilsjes te drinken.
Doch, er waren veel mensen die spaarden het hele jaar om in deze dagen
behoorlijk de ‘bloemetjes’ buiten te kunnen zetten. Buiten liepen
er dan veel ‘dweilbandjes’ en vooral de jongelui sloten dan daar
achteraan en zo dan heel de binnenstad door. Nou, dat zie je helemaal niet
meer. Carnaval speelt zich nu nog slechts af in de kroeg. Maar dat is natuurlijk
ook wel gezellig. Ik ga zeker niet alles afkraken, maar de sfeer is toch wel
wat minder geworden.

Ook schoot me nog iets te
binnen op het moment dat ik bezig was een ander verhaaltje te schrijven. Ik kan
uiteraard nog goed herinneren dat de Sint vroeger per boot aankwam op de Haven
in Breda. Ook al uren van te voren stonden de mensen daar, om te voorkomen dat
ze iets van de aankomst zouden moeten missen. Naast carnaval en de kermis
gebeurde er niet echt veel bijzondere dingen in Breda en daarom was het dus ook
bij de aankomst van Sinterklaas extra druk. Ik heb het echt meegemaakt dat het
voor mij niet meer mogelijk was, om ook maar één blik op te
vangen van de boot, waar de Sint met zijn Pieten opstonden. Duizenden en nog
eens duizenden mensen waren dan daar aanwezig, tot aan de brug bij de
suikerfabriek aan toe. Als de Sint eenmaal aan land was gekomen, werd zijn
witte paard erbij gehaald en ging dan met zijn gevolg, met een groot
muziekkorps voorop beginnen aan een tocht door het Centrum van Breda. Ook in het
centrum stonden er weer mensen, echt rijen dik en vaak al uren te wachten,
alvorens de Sint met zijn gevolg voorbij zouden komen. Deze optocht beperkte
zich vroeger slechts alleen door de binnenstad. Optochten in de buitenwijken
waren er toen nog niet. Ik heb het dus nu duidelijk over de beginjaren vijftig.
Tot zover even de Sint, zomaar even tussendoor.

Zelfs tijdens de kermis in
Breda was het toen veel drukker en zeer zeker gezelliger. Op de Grote Markt
stond het toen helemaal vol met de wat kleinere attracties en op de Oude Vest
stond dan het grotere ‘spul.’ De Halstraat was dan een, zeg maar,
verbindingsstraat tussen de twee ‘lunaparken.’ Ook in deze straat
waren er dan allerlei ‘stalletjes’ neergezet, waar je voornamelijk
snoepgoed kon verkrijgen zoals noga en de bekende suikerspin en nog een aantal
andere lekkernijen. Ik durf te stellen dat het toen zeker tien maal zo druk was
als tegenwoordig en was toen zeker te vergelijken met de kermis zoals hij nu in
Tilburg nog steeds is. Maar dit waren dan ook zowat de enige drie grote
evenementen die in Breda plaatsvonden. De rest van het jaar moest er weer hard
worden gewerkt om het ‘hoofd boven water’ te kunnen houden. Maar
daar was men nou eenmaal toch al aan gewend.
Kees
Wittenbols.
(9) Een markant gebouw in Breda: de
Klokkenberg.

De
Klokkenberg
De Klokkenberg is in het
begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw gebouwd door
Aannemingsmaatschappij: Internationale Gewapend Betonbouw (IGB) Breda. Het
Medisch Centrum de Klokkenberg was een in 1953 opgericht sanatorium voor
tbc-patiënten aan de Galderseweg, met uitzicht
op het Mastbos enerzijds en het Markdal anderzijds.
Nadat het aantal patiënten terugliep, werden de activiteiten van De
Klokkenberg verbreed. Er werden nieuwe afdelingen toegevoegd, zoals de
thoraxkliniek (hartchirurgie), de long- en astmakliniek, allergologie &
immunologie en een kliniek voor de behandeling van epileptische patiënten
(Hans Bergerkliniek). Ook had de Klokkenberg een afdeling voor Kinder- en
Jeugdpsychologie. In de jaren 90 raakte het centrum in de problemen. De
Klokkenberg had te lijden onder de schaalvergroting in de Medische Zorg, maar ook
aan voortdurende interne conflicten, vooral bij de thoraxafdeling. Dit leidde
ertoe dat in 1997 de thoraxkliniek werd ondergebracht bij het toenmalige
Ignatiusziekenhuis (nu Amphia) aan de Molengracht te
Breda. De overige afdelingen bleven zelfstandig bestaan totdat in december 2001
alles werd ontmanteld. De long- en astmakliniek werd ondergebracht bij het
revalidatiecentrum. De GGZ nam de afdeling jeugdpsychiatrie over en de afdeling
allergologie & immunologie werd ondergebracht bij het Amphia-ziekenhuis.
Alleen de Hans Bergerkliniek bleef zelfstandig doorbestaan onder een nieuwe
stichting. Volgens de planning verhuist deze (of is al verhuisd; bij het
schrijven van dit artikel was het nog niet bekend), naar de nieuwbouw nabij de Oosterhoutse vestiging van het Amphia-ziekenhuis.
Binnenkort zullen de
verlaten afdelingen van de Klokkenberg weer voor de zorg een bestemming
krijgen. Na een tijdelijke functie voor opvang van bewoners van de
renovatie/nieuwbouw van enkele verpleeghuizen in Breda, zal de Klokkenberg in
de toekomst een blijvende functie in de zorg gaan vervullen. Inmiddels is het
Klokkenbergterrein door Medisch Centrum Klokkenberg verkocht aan
Vitalis-Zorg-groep, een zorginstelling in Zuid-Nederland. Vitalis verwacht op
het landgoed een woonzorgcomplex á 400
huurappartementen te kunnen realiseren. Het beeldbepalend monument De
Klokkenberg met de karakteristieke torens en vleugels zullen onaangetast
blijven. Tijdens het schrijven van dit artikel was het ook nog niet bekend in
welke fase men nu is beland.
Kees
Wittenbols.
(10) Colportage in een ‘nieuw
jasje’ gestoken.
Kees Wittenbols heeft in
het kader buurtverhalen op de site van de Oranjeboompleinbuurt en in het boek:
Nostalgisch Breda (deel 1) eens een lezenswaardig artikel geschreven over
allerlei figuren die dagelijks, wekelijks, maandelijks, dan toch wel periodiek
aan de deur kwamen. Zoals de bakker, de melkboer, de visboer, de groenteboer,
de schillenboer, de fondsbaas enzovoorts. Ook werd deze buurt regelmatig
bezocht door zogenaamde beroepscolporteurs en hun handel varieerde van ‘kleinvak-artikelen’ tot dekens en van vloerkleden tot
stofzuigers. Veelal waren het goedgebekte vlotte sjacheraars die dit werk
beroepsmatig deden en hele streken of zelfs het hele land
‘afschuimden’ teneinde hun ‘negotie’ her en der aan de
deur te verkopen. Of de goederen en de handel nou wel allemaal eerlijk en
koosjer waren kan ik niet beoordelen, maar ik herinner me toch wel dat mijn
moeder zichzelf ooit heeft laten verleiden tot het kopen van een aantal dekens
aan de deur en eerlijk is eerlijk, die dingen zijn jaren en jaren tot onze
grote tevredenheid meegegaan. Hoe men ook dacht over dit soort handel, veelal
was de aspirant koper wel zeer degelijk in staat om de aangeboden goederen te
kunnen controleren en of te betasten. Een zogenaamde ‘kat in de
zak’ kopen was misschien wel eens aan de orde, maar men was er toch in
alle gevallen zelf bij en de verkoop ging zonder omwegen en valkuilen.

Hoe anders gaat de verkoop
aan de dag van vandaag aan de deur? Ikzelf kan me de tijd amper meer heugen dat
men gebruiksartikelen aan de deur probeerde te verkopen, afgezien van de
colportage met betrekking tot dagbladen of incidenteel een of andere leesmap.
Zelfs de verkondigers van een aanstaand Armageddon of andere rampspoed, zoals
hel en verdoemenis voor hen die niet geloven in de aangeboden profeet of
goeroe, schijnen ook al schaarser te worden. Diverse wetten en ook de
consumentenbond, alsmede de nodige televisieprogramma’s, hebben er wel
voor gezorgd dat dit soort verkoop tot een bijna verleden tijd is gaan behoren.
Ook het feit dat aan de dag van vandaag vele vrouwen eveneens in het
arbeidsproces zijn opgenomen, maakt het voor huis-aan-huis-verkoop
extra moeilijk en dus minder winstgevend. Simpelweg, doordat er overdag veelal
niemand meer thuis is en men derhalve aan een gesloten deur blijft staan.
Weinig handel dus! Toch heeft men er echter wél wat op gevonden!
Zo was ik de afgelopen
weken in een groot hotel getuige van een groep mensen die een opleiding volgde
tot ‘adviseur’ van een onderwijsinstituut. Heus een bekend en
gerenommeerd instituut. Door goed in gesprek te komen met vele van deze mensen
kwam ik zodoende ook hun beroepsmatige achtergrond te weten. Zo was daar iemand
die begrafenisverzekeringen had verkocht, deur aan deur. Een ander was
specialist geweest in (groene) beleggingen en middels een folder probeerde dit
bedrijf ook bij de mensen in huis te komen en de aanstaande klanten (prospects in vakjargon) te overtuigen, dat zij hun
spaarcentjes beter konden beleggen in teakhout ergens in ‘Verweggisstan’ dan op de lokale spaarbank tegen een
vaste rente. Een ander was weer actief geweest in spaarbeleggingen en had met
name veel jongere gezinnen met schoolgaande kinderen ’s avonds thuis
bezocht en de meest mooie en prachtigste spaarvormen aangepraat. Al dit soort
mensen werden nu in ‘no time’ klaargestoomd tot studieadviseur,
teneinde mensen thuis te kunnen gaan ‘voorlichten’ ten aanzien van
cursussen, steevast door hén opleidingen genoemd, om zich te verbeteren
op de arbeidsmarkt, of zich in ieder geval te verzekeren van een beter, lees:
hoger inkomen. Het desbetreffende instituut had zo ongeveer een tiental
cursussen/opleidingen in de aanbieding, die minimaal een tweeduizend dan wel
maximaal een ruime vijfduizend euro kosten. Al of niet mét aankoop van
een laptop.
Met stijgende verbazing
heb ik kennisgenomen van hoe men het een en ander aan de man probeert te
brengen. Eerst krijgt u een kleurrijke folder in de bus die een appél
doet op uw gebrek aan kennis. Men doet voorkomen dat de aan te vragen
informatie volledig en gratis is en dat zonder hun opleidingen u toch een heel
stuk carrière gaat missen. Ja, op de ‘keeper beschouwd’ is
die info voor u gratis als u de bon, zonder postzegel natuurlijk, opstuurt. Dan
bent u al bijna het ‘haasje!’ Want die bon is goud waard voor een
dergelijk bedrijf (marketingcijfers geven aan dat slechts 1 á 2 op de
1000 bonnen ingevuld en opgestuurd worden). De desbetreffende adviseur, die
simpelweg niets meer en niets minder is dan een slimme verkoper of
vertegenwoordiger krijgt die bon in handen gespeeld, nadat eerst een callcentrum een afspraak heeft weten door te drukken bij u.
Ja, u, die argeloos de bon ingevuld heeft en dan denkende dat u dus een map
thuis gestuurd krijgt met de nodige en gevraagde informatie. Niets is minder
waar. U krijgt een gedegen informatie door middel van de vertegenwoordiger, die
wel twee tot drie uur van uw tijd vergt. Maar het is voor uw eigen toekomst en
uw eigen bestwil nietwaar? Volgens zeggen van diezelfde vertegenwoordigers kost
het u hooguit een kopje koffie of een glaasje water.
In die twee tot drie uur
krijgt u dan een weldoordacht programma voorgeschoteld, wat van a tot z helemaal is uitgediept. Niets is aan het toeval
overgelaten! Het begint al bij het binnenkomen, waarbij gelet wordt op het
interieur, foto’s aan de wand, eventuele muziekinstrumenten en meer van
dergelijke zaken. Hierop wordt handig ingespeeld. Men noemt dit het zogenaamde
‘warm worden’ (vriendjes worden) met de prospect. Er moet een
sfeertje gecreëerd worden, zodat men de vertegenwoordiger iets gaat
gunnen. Met een slimme zet komt men tot het volgende item: een korte uitleg
over het instituut en hoe goed dat instituut wel niet is. Vloeiend loopt het
over via een psychologisch zeer goed in elkaar gezet vragenformulier, waarmee
men door middel van open vragen u als prospect zoveel mogelijk over u zelf laat
vertellen en dat soms tot in de kleinste details aan toe. Over hobby’s,
school, opleidingen, werk, kinderen, toekomstplannen enzovoorts. Ook de
gezinssamenstelling wordt tot in details genoteerd, net zoals het inkomen en de
financiële verplichtingen. Het formulier is zo opgezet, dat men naadloos
overgaat naar een voor u op het lijf geschreven studieadvies. Alhoewel er
slechts enkele opleidingen binnen het hele pakket bestaan wordt toch
gesuggereerd, althans het gevoel wordt duidelijk achtergelaten, dat men een
schier ontelbaar aantal opleidingen achter de hand heeft. In ieder geval altijd
eentje die juist bij u past. Wat zeg ik? Naadloos op uw lijf is geschreven! Als
men dan erg ‘close, met de prospect is geworden begint men, met de
meegebrachte laptop, een ‘gelikte’ presentatie te geven. Na ruim
een half uur tot drie kwartier acht u zich al ‘chef de bureau’
geworden, of toch minstens accountant. U moet alleen nog even een paar maanden
tot maximaal ruim een jaar studeren en u bent waar u wezen wilt en de wereld
lacht u toe en het bedrijfsleven in het bijzonder, want alle deuren staan dan
voor u open. Dat met maar één lesavondje in de week, of in
sommige gevallen maar één lesavondje in de veertien dagen. De
officiële schoolvakanties daargelaten natuurlijk. De rest is thuisstudie.
Met een manoeuvre gelijk
een dirigent die voor een orkest staat, wordt als een welluidend slotstuk u
alles getoond wat u kunt bereiken, in die paar maanden tot maximaal 1,5 jaar en
dan? Ja, dan de prijs! Zoals gezegd, variërend van een ruime tweeduizend
tot ruim vijfduizend euro toe. Maar als u dat niet direct in het trommeltje
heeft liggen geen nood: ook daar is een oplossing voor! Ter plekke kan een
aanvraag worden gedaan bij de zogenaamde Comfort Card Crediet
(van de Royal Bank of Scotland). Voor slechts een slordige 18 procent rente
bent u van het probleem verlost, dat u geen paar duizend eurootjes
op de plank heeft liggen. U kunt uiteraard al binnen een zeer korte tijd
starten bij u in de buurt en hoe stom of hoe slim u ook bent, een diploma is
een feit, want dat verzekert men u. U mag net zolang doorgaan met examens tot u
het haalt of… tot dat u zelf inziet dat het een hopeloze zaak is. Alles,
ja werkelijk alles, is erop gericht u diezélfde avond nog te laten
tekenen en mocht u vermeld staan in “Tiel” bij het BKR, geen nood.
Dan betaalt u toch gewoon in nóg grotere termijnen aan het instituut
zelf. Natuurlijk mits u geen bijstandsuitkering geniet, want dat begrijpt men
ook wel dat er in een dergelijk geval geen veren te plukken zijn van een reeds
kale kip. Want dat checken in Tiel, gebeurt onder uw ogen, even gauw elektronisch
en binnen tien minuten weet men hoe uw ‘vlag’ ervoor staat. Na
ondertekening loopt de vertegenwoordiger nog snel naar de auto en u wordt
overladen met een aantal attributen en u kunt zich alvast gaan verlekkeren op u
‘gebakken’ toekomst.
Natuurlijk wordt de
partner hierbij ook betrokken en soms wel zó dat men de partner, mits
enigszins gewillig, ook nog een ‘opleiding’ weet te verkopen. Want
samen is nog altijd beter dan maar alleen nietwaar? Het is tenslotte om uw
eigen toekomst zeker te stellen. Enne… de diploma’s zijn door het
bedrijfsleven erkend! Niet door de overheid dan? Eeeehh,
nee, niet door de overheid! Zo gaat het heden ten dage, met cursussen, maar ook
met investeringen, met (te dure) verzekeringen, met beleggingen en nog veel
meer zaken, die allemaal één ding gemeen hebben: ze kosten
kapitalen en u moet wel diezelfde avond nog ‘effe’ beslissen. Daar
is het hele gesprek op afgestemd en u bent een ‘kei’ als u
dát door heeft! Mijn advies: elke grote aankoop, elke grote investering,
doe die niet al te impulsief. Van een nachtje erover slapen is nog niemand
stommer of armer geworden. Integendeel. Al met al denk ik dat de hedendaagse
verkopers die aan de deur komen een stuk sluwer, doortrapter, gemener en
doortastender zijn, dan die leurders van vroeger, die hooguit wel eens lastig
waren, maar u nooit of te nimmer zo bij de ‘veter’ konden nemen dan
dat nu vaak gebeurt.
Silvia
Videler.
(11) Wat is het geheim van een
(zaken)-pand?
Waarin niets wil lopen en in een ander pand loopt in wezen alles,
wat je er ook maar in begint.
Is het u wel eens
opgevallen dat er panden zijn waarin het ene bedrijf na het andere bedrijf zich
vestigt en waarin het nooit komt tot de verwachte of gewenste bloei? Of juist
positief, dat er zich een bedrijf vestigt in een ‘altijd goed
lopend’ pand en dat zo’n bedrijf dan ook weer floreert, ongeacht
het product of het management van dat nieuwe bedrijf. Toplocatie of niet. Wat
is dit? In onze buurt waren/zijn ook enkele van die panden! Het lijkt wel een
verhaal uit het zogenaamde tweeduster. Maar het is wel een feit waar men niet
omheen kan. De bewijzen zijn er simpelweg meer dan genoeg voor te vinden. En de
naakte feiten liegen er niet om! Het is en blijft een fascinerend gegeven.
Aanwijsbare oorzaken zijn er dan ook zelden. Neem bijvoorbeeld het voormalige
grote bedrijfspand net om de hoek van de Oranjeboomstraat en liggend aan de Dr.
Struyckenstraat. In mijn jeugdjaren zat er een poosje
Garage Mion in. Later nog vele anderen, die het daar
geen van allen tot een succes hebben weten te brengen. Nu is het onlangs
gesloopt en is men bezig met een appartementencomplex. Hetgeen getuigt dat er
geen goed garen mee was te spinnen. Maar dat nu vroegere pand aan de Dr. Struyckenstraat is het niet alleen. Ook het Dr. Struyckenplein is nou niet bepaald een lokatie
waar ik mijn geld (als ik het al had) op zou willen zetten. Hoe vele
ondernemers hebben daar niet hun ondergang beleefd? En dát in het hart
van een woonwijk? Dat is in ieder geval niet volgens het ‘boekje.’
U kent allen vast wel die zinsnede van: “daar heeft al van alles in
gezeten, maar niets is er ooit een blijvend succes geworden.” Of:
“wat daar al allemaal niet ingezeten heeft, daar loopt echt niets.”
Als u een beetje nadenkt en uw geheugen even de ruimte geeft dan komt u
ongetwijfeld ook wel op een paar van die zaken die u zich kunt herinneren. Of
het nu een garage betreft of een horecabedrijf. Wat men in zo’n pand ook
begint, het lijkt gedoemd te mislukken. Zo ken ik ook enkele panden op de Haagweg waar ik absoluut nimmer een bedrijf in zou willen
uitoefenen, gewoon en simpelweg gezien het verleden van een dergelijk pand. Wat
is er dan met zo een pand aan de hand? Wat is er in gebeurd? Of moeten we nog
verder terug? Is het de plaats? Is het de grond waarop het bewuste pand staat?
Vast staat voor mij dat het niet alléén en zeker niet in alle
gevallen de desbetreffende ondernemer is die iets te verwijten valt.

Dit
gebouw kwam uiteindelijk op de plek waar eens garage Mion
stond (Dr. Struyckenstraat)
Dat zou té
toevallig zijn! Nu is mijn vraag aan u? Kent u ook dergelijke zaken/panden in
Breda? Laat het eens weten, zeker als ze in onze buurt gelegen zijn. Aan de
hand van de reacties kunnen we er misschien eens verder over ‘doorbomen.’
Ik heb wel een paar ideetjes, maar die van u zijn misschien nog
véél en véél interessanter. Feit is dat dit
fenomeen bestaat en ‘weten,’ ‘kennen’ of ‘kennis
hebben’ van dit soort feiten kan veel ellende voorkomen. Ik ben benieuwd
naar uw commentaar, opmerkingen of ideeën.
Silvia
Videler.
(12) ‘Een bos hout voor de
deur’
Ik vond dit wel een
aardige titel voor het volgende verhaal. Het is natuurlijk niet helemaal juist
en in werkelijkheid had het eigenlijk moeten heten: ‘een stapel hout voor
de deur.’ Doch, de titel is op één woord na toch wel goed.
Een ‘bos hout voor de deur’ heeft een iets andere betekenis, maar
dit terzijde. Enfin, mijn vader was vroeger uitvoerder en voornamelijk bij
nieuwbouw, waar veel beton aan te pas kwam. Vroeger werden de bekistingen voor
betonconstructies alleen van hout gemaakt. Ik weet ook nog hoe dat allemaal
precies in zijn werk ging, want ik heb dat ook allemaal nog meegemaakt. Maar ik
ga u niet vermoeien met technische details.

Het voordeel wat mijn
vader had, was het feit dat hij toch wel enige zeggenschap had op de
bouwplaats. Een uitvoerder, tot en met de jaren vijftig, was een
‘vooraanstaand’ beroep, met veel verantwoordelijkheid. Als tijdens
de bouw het beton voldoende was verhard, werden de betonconstructiedelen ontdaan
van de houten bekisting. Officieel heette dat: ontkisten.
Dat ontkisten ging vaak gepaard met grof geweld.
Immers, het hout had zijn werk gedaan en was meestal voor een nieuwe bekisting
niet meer echt bruikbaar. Het werd dus van de betonconstructie afgehaald en op
een grote stapel gegooid ergens op de bouwplaats. Voor nieuwe betonconstructies
gebruikte men dan gewoon weer nieuw hout. Doch als men wat klampen of schoren
nodig had, werd dat meestal toch wel weer van deze stapel gehaald. Zeg maar,
voor een tweede gebruik. Doch daarna verdwenen deze stukken hout definitief op
de grote stapel. Dan kwam natuurlijk de vraag: “wat moet je met al dat
hout,” waarvan eigenlijk de nieuwigheid er nog van
‘afstraalde.’ In veel gevallen werd dit dan door een of ander
bedrijf opgehaald, want er vielen bijvoorbeeld nog wel lucifers van te maken.
Dus tegen de tijd dat het gebouw werd opgeleverd was al dat hout weg. Doch in
één situatie wist mijn vader er niet van af te komen en kwam toen
op het idee om het voor zichzelf te houden. Maar ja, hoe krijg je zoiets thuis.
Nou, dat viel te regelen. Een onderaannemer die op die bouwplaats ook zijn
werkzaamheden had en in het bezit was van een vrachtwagen, was bereid om het
bij ons voor de deur af te leveren. Zo gezegd, zo gedaan. Er was zoveel hout op
die bouwplaats, dat deze goede chauffeur zelfs twee keer moest rijden. Alles
bij elkaar waren het best wel een aantal ‘kuubjes’
bij elkaar en hij dus op weg naar ons huis.
Bij ons voor de deur
aangekomen was er slechts één mogelijkheid om te lossen en dat
was ter plaatse van de stoeprand. Hij liet zijn laadbak schuin zetten en het
hele zaakje kwam met grof geweld, enerzijds op de stoep en anderzijds, op de
straat terecht. Zoiets zou tegenwoordig ten strengste verboden zijn, of je moet
een vergunning hebben. Van hout op de straat deponeren had men vroeger nog
nooit gehoord, dus het gebeurde dan ook gewoon. Nu moesten we die berg
natuurlijk nog naar binnen zien te krijgen, althans naar onze achtertuin. Het
was toen omstreeks 1952 en er waren maar 4 kinderen van ons gezin, waaronder
ikzelf, die mans genoeg waren om mee te helpen dragen. Maar het was zoveel dat
we dat met z’n allen nooit voor het donker binnen zouden kunnen krijgen.
Bovendien enige tijd later zou er nog zo’n partij worden afgeleverd. Omdat
dit gebeuren natuurlijk veel bekijks trok van buurtgenoten, werd ook aan hen
gevraagd of ze wilden meehelpen. Gelukkig waren er enkele leeftijdgenoten van
mij, die bereid waren een ‘steentje bij te dragen.’ Maar tjonge
jonge, er kwam maar geen eind aan. We hadden wel het voordeel dat we een
poortje naast het huis hadden. Met het hout liepen we dan door deze poort en
dan via de gang weer naar voren, zodoende liep niemand elkaar in de weg. We
waren bijna klaar toen de tweede lading eraan kwam en die stapel hout was nog
veel groter. Uiteindelijk, toen de duisternis ‘toesloeg’ was het
hele spul precies binnen. Je moest bij dat sjouwen ook nog goed uitkijken, want
er zaten bij veel planken de spijkers er nog in.

Wat een opluchting was dat
toen alles binnen was. Alle knapen die mee hadden geholpen kregen van mijn
moeder een beloning van een dubbeltje. Ja, één dubbeltje! Wat kun
je daar nou in ‘Godsnaam’ mee doen, vraagt u zich waarschijnlijk
wel af. Nou, een dubbeltje in 1952 was voor een kind van tien jaar best een
goede beloning en voor mijn moeder ‘een rib uit haar lijf.’ Maar
wij, als kinderen van haar, wilde eigenlijk ook wel een beloning voor dat
sjouwen. “Nou ja, vooruit dan,” zei ze, “hier hebben jullie
ook een dubbeltje.” Dus nog ‘een rib uit haar lijf’ erbij!
Dus we hadden een berg hout in die tuin liggen, dat hield je gewoon niet voor
mogelijk. Als je boven op die berg zou gaan staan, kon je zowat bij ons op het
platte dak van het huis kijken en je erlangs ‘wurmen’ was bijna niet
mogelijk. Nou blijft natuurlijk de vraag over wat we met al dat hout moesten?
Dat was heel simpel. Mijn vader was handig genoeg en heeft er toen een
schuurtje van gebouwd en alles wat overbleef ging uiteindelijk de kachel in. In
plaats van kolen stookten we gewoon al dat hout op. Het was wel altijd een
geknetter van jewelste in die huiskamer, al dat brandend hout, maar dat maakte
natuurlijk niks uit. Gratis warmte en mijn moeder had heel snel een
‘compensatie’ voor al die dubbeltjes, die ze had moeten weggeven.
Kees
Wittenbols.
(13) Die zak friet wordt
onbetaalbaar.
Allereerst: Het volgende verhaaltje stamt nog uit de tijd dat ene
‘tovenaar’ Gerrit Zalm de ‘financiële scepter’
zwaaide in ons ‘kikkerlandje.’
Eenvoudige rekensommetjes?
Ja, daar ben ik stukken beter in dan in moeilijke wiskundige berekeningen. Ik
ben niet zo’n ‘Beta-typetje.’ Ik
zal het daarom eenvoudig houden. Want rekenen doen we toch. Wat bleek. Een
tijdje terug wist de krant ons weer eens voor de zoveelste maal te vertellen,
dat de prijs van een zak, of helaas steeds meer een bak(je), friet wel erg duur
gaat worden door de mislukte aardappeloogst van vorig jaar (trouwens even tussendoor: wel eens gehoord dat iets goedkoper is
geworden vanwege een grandioze meevallende oogst?). Het overkoepelend
verbond van ‘frietenbakkers’ en andere ‘feestneuzen,’
die van ‘uitgaan’ hun beroep hebben gemaakt, hebben zich moeten
verenigen in een club en die heet: Koninklijke Horeca Nederland. Waar dat
koninklijke vandaan komt is mij een raadsel, want ik kan me Beatrix amper bij
‘Piet Schraven’ voorstellen met de vraag:
“heb je twee patat (zij zegt: patat, zeker weten!) en twee warme ballen
met satésaus voor me? Maar goed, die club is dus koninklijk goedgekeurd.
Ook zij hebben een dringend en waarschuwend woord uit laten gaan aan de
frietenbakkers, om de prijzen toch nog enigszins in de hand te houden.

Ik weet eerlijk gezegd niet
hoe het er nu voorstaat in Breda met de prijs van een portie friet. Waar ik nog
woon is het bar en boos: twee euro vijf en zeventig voor een bakje patates
frites en heb je de euvele moed om er een klodder mayonaise bij te bestellen,
dan komt er maar liefst zestig euro centen bij. Dat dan voor iets wat weliswaar
op mayonaise lijkt, maar het niet is. Het is de veel goedkopere variant ervan,
namelijk: fritessaus. Daar sta je dan met een halve aardappel aan reepjes
gesneden met wat ‘smurrie’ voor het lieve sommetje van drie euro en
vijf en dertig cent… per persoon. Ben je met vieren, toch geen extreem
groot gezin nietwaar? Dan komt die zak friet zoals ik het nog altijd benoem op:
dertien euro en veertig cent. Effe omrekenen, da’s wel even Fl. 29,53 en
waag het niet om een kroket of een frikadel erbij te nemen, dan ben je helemaal
een vermogen kwijt. Nu gaan we even echt rekenen. Om een vergelijk te maken
moet je een uitgangspunt nemen, een beginpunt. Ik pak 1968! Dat is dus exact 40
jaar geleden. Laten we aannemen en ik weet dat er best wel grote verschillen
waren, maar dat een gemiddeld huisgezin (meestal alleen door de man verdiend)
een loon kon verwachten van ongeveer Fl. 600 netto. Laten we zeggen en dan ga
ik echt uit mijn geheugen putten, maar als dat aangaande geld is en alles wat
daarmee te maken had, dan ben ik heel fijnbesnaard moet u weten. Een zak friet
kostte toen Fl. 0,45 en de mayonaise, dat was een ‘duppie!’ Totaal:
Fl. 0,55 en dat dan maal vier, zoals in het euro-voorbeeld en je was dus klaar voor
nog geen ‘knaak!’ Ofwel Fl. 2,20.
Maar aan deze feiten
hebben we nog niets, als we niet het huidige loon/salaris ernaast leggen. Ook
nu pak ik weer een gewoon min of meer alledaags loon en stel dat op een
gemiddelde van € 1.750 per maand. Kijk, nu kunnen we gaan rekenen. Die
Fl. 2,20 van 1968 was dus nog geen halve procent van het maandinkomen van 1968.
Om helemaal precies te zijn: het was 0,366 % van het maandinkomen. Die €
13,40 voor die hedendaagse bakjes friet zijn echter gelijk aan… en schrik
niet: 0,77 % van het maandinkomen. Ergo, de prijs is: naar verhouding dus meer dan verdubbeld! Het is zelfs meer dan
DERTIEN KEER ZO DUUR geworden! Vergelijk je dat met het bekende kroketje van
vroeger, toen een kwartje en nu € 1,20, dan is de verhouding bijna even
zo groot: € 1,20 = Fl. 2,65. Dus dat kroketje is tien en een halve keer
zo duur geworden.
Natuurlijk begrijpt u dat
het mij niet gaat om hoeveel keer een product duurder is geworden ‘an sich.’ We moeten het in
het perspectief zien van het inkomen en als we dat dan gezien hebben en we
hebben het eerlijk berekend, dan is het dus dubbel zo duur geworden! Althans
die portie friet. Maar zo kunnen we nog vele en vele voorbeelden meer geven. Nu
gaat de Koninklijke Horeca Nederland, ‘terecht’ waarschuwen voor
wederom een forse prijsstijging van zeker 10 %. Maar troost u, ik kan niet
rekenen volgens ene mijnheer Zalm. U trouwens ook niet, tenminste niet als u
klaagt dat die euro alles zoveel duurder heeft gemaakt. Zouden we dan vroeger
toch teveel ‘propjes’ hebben geschoten tijdens de rekenles en niet
goed opgelet hebben? Ik moet het eerlijk toegeven, ik heb wel eens tijdens een
rekenles op de gang moeten staan. Ik denk dat het juist tóen was dat ze
dat ‘toverrekenen’ hebben uitgelegd en
dát heb ik dus niet mee gekregen. Vandaar! Enne… Gerrit Zalm en
consorten? Ja, die waren natuurlijk altijd erg braaf, dus die weten het ook
veel beter. Hebben dus nooit een rekenles gemist! En toch… nee, ik stop,
fijne week verder.
Silvia
Videler.
(14) Wat is nou een honderdtal jaren
in de geschiedenis?
Honderd jaar! Dat is een
eeuw. Het zijn zelfs een aantal jaren die steeds meer mensen weten te bereiken.
Een vijftigtal jaren geleden was een honderdjarige echt een uitzondering.
Nú is het haast een uitzondering een bejaardentehuis te vinden welke
geen honderdjarige of oudere binnen z’n muren heeft wonen. De Bijbel, die
doet er nog laconieker over en spreekt over het feit dat in de ogen van de
Schepper duizend jaren zijn als één dag. Maar voor ons gewone
mensen is honderd jaar toch wel een mijlpaal bij uitstek. Wat is er allemaal
niet veranderd in honderd jaren? Daar kun je dus echt een encyclopedie over vol
schrijven. Dat is niet de bedoeling van dit artikeltje. Wel wil ik u erop
wijzen dat ‘onze wijk’ en dat ruim genomen, vanaf de Haagweg tot achteraan de Oranjeboomstraat met alle
zijstraten erbij, rond deze tijd: 2007 eigenlijk zijn eeuwfeest zou mogen
vieren. Het waren de jaren net na de eeuwwisseling van de negentiende naar de
twintigste eeuw, dat men voorzichtig begon te bouwen vanaf de Haagweg in de richting van wat nu heet de Oranjeboomstraat.
Toen nog de Oude Baan geheten. Aanvankelijk eerst nog op Bredaas grondgebied.
Want de grens met de gemeente Princenhage lag maar
een paar honderd meter verder. Het hele gebied wat nu het begin vormt van de
Oranjeboomstraat, bij de Haagweg en de Havermansstraat is het alleroudste gedeelte van onze wijk.
Grof gesteld mag men stellen dat vanaf ongeveer 1907/1908 men echt begonnen is
met de aanvang van de wijk en dat kort voor het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog, de wijk, althans datgene wat wij onder de wijk verstaan gereed is
gekomen. Enkele incidentele huizen én de Brugflat daargelaten. Het
vreemde aan ‘onze’ wijk is echter dat het geen echte uitgesproken
aaneengesloten wijk is. In principe kon men de wijk als volgt verdelen:

Men had de Havermansstraat, de van Vlietstraat, de Nuijtsstraat
en het gedeelte van de Weerijssingel, vanaf de Haagweg tot aan de Vincent van Goghstraat aan de ene zijde
en het Dr. Jan Ingenhouszplein en vervolgens de
Oranjeboomstraat tot aan de toenmalige kruising Vestkant/Vincent van Goghstraat
aan de andere zijde. Dát kon men stellen als één wijkje.
De Vestkant, Vestingstraat, Tolsteeg en de Walstraat waren ontegenzeggelijk ook
één wijk. Ook het Westeinde, aanvankelijk het eerste gedeelte
bezijden de Haagweg, met als voornaamste straten de
Amstelstraat en de Rijnstraat, was duidelijk één wijk. Later is
deze wijk vergroot en uitgebreid met de Dongestraat en de Dintelstraat
en werden de Rijnstraat en Amstelstraat simpelweg verlengd (tot de
Oosterstraat). Ook het Westeinde is en was duidelijk één aparte
wijk. De schildersbuurt, was weer een aparte eenheid.
Ook deze wijk was en is begrensd door de Weerijssingel
enerzijds en de Oranjeboomstraat anderzijds. En deze wijk, met daarin de
Rubensstraat, Rembrandtstraat, Pieter Breughelstraat,
Jeroen Boschstraat, Vermeerstraat én de Vincent van Goghstraat en
vroeger ook het Vincent van Goghplein, alsmede het Oranjeboomplein, was zeker
ook als één wijk te onderscheiden. Met een beetje fantasie kun je
daar de Verlaatstraat zeker ook toe rekenen, alhoewel de Verlaatstraat van een
iets eerdere datum is dan de achterliggende straten met schildersnamen.
Het was de aansluiting op de weg die later de Oosterstraat is gaan heten en
bestond daarvoor al in het zogenaamde toenmalige stratenplan. Zij het
toentertijd grotendeels onbebouwd. De Oranjeboomstraat zelf was in wezen een
wijk op zich. Hoorde het allereerste gedeelte gevoelsmatig bij de dwarsstraten
naar de Weerijssingel. Het tweede gedeelte, vanaf de
Vincent van Goghstraat tot de latere Dr. Struyckenstraat,
had toch wat meer aansluiting en binding met de ‘schilderswijk.’
Terwijl het derde en laatste gedeelte, daar waar de voormalige kerk stond en
dan tot aan de Dirk Hartogstraat/Talmastraat,
helemaal een aparte eenheid op zich was. De Oranjeboomstraat liep vroeger zelfs
helemaal door tot aan de Mastbosstraat.

Voorheen
Van Heusden Haarden & Kachels – Oranjeboomstraat
De Oranjeboomstraat had
van oudsher, toen het nog Oude baan heette of Antwerpse baan, het toch al in
zich om een straat of weg te worden met lintbebouwing, zoals we dat op veel
plaatsen en in dorpen aantreffen en met name in Vlaanderen. Pas in het begin
van de jaren vijftig, toen men begon met het bouwen van wat toen het
Heuvelkwartier werd genoemd, kwam er aansluiting, qua bebouwing, zij het nog
maar aan één zijde van de straat. De aan de andere zijde van de
Oranjeboomstraat liggende rivier de AA of Weerijs, de
tuinen van de huizen liepen vroeger zelfs tot aan de rivier, vormde en vormt de
natuurlijke grens met het Boeimeer. Nergens anders in Breda is er mijns inziens
een zo’n grote versnippering van wijken en wijkjes. Terwijl men toch
spreekt over één wijk. Onze wijk wordt heden door de gemeente
aangeduid als de Haagpoort. Terwijl ik hopelijk heb aangetoond dat er wel
degelijk sprake is van meerdere kleine wijken, eenheden, die gezamenlijk nu die
naam dragen, maar oorspronkelijk weinig met elkaar van doen hadden. Laten we
als voorbeeld de wat oudere wijken nemen: Tuinzigt,
het gebied waarvan de Dijklaan dé verkeersader is. Dát is
één wijk. Evenzo het Boeimeer, weliswaar onder te verdelen in een
oud en nieuw Boeimeer, maar het is een eenheid. Idem met het Heuvelkwartier, de
Belcrum, het Liniekwartier, het Brabantpark
enzovoorts.
Nergens was de
verscheidenheid van bewoners dan ook zo treffend als in onze wijkjes. Zeker
gemeten naar inkomen én om het nare woord maar eens te gebruiken: de
zogenaamde standsverschillen. Gelukkig is dat laatste steeds meer en meer aan
het vervagen. Het was vroeger, laten we dat maar stellen niet
‘gebruikelijk’ als bewoner van bijvoorbeeld de schildersbuurt
om te gaan met iemand uit de Vestkant. Of iemand van het Westeinde had veel
eerder ‘Anschluss’ met iemand uit zijn eigen wijk dan bijvoorbeeld
met iemand van de Oranjeboomstraat of van de Weerijssingel.
Persoonlijk geloof ik als dit wel gebeurd was dat er dan heel wat leed en
frustratie voorkomen hadden kunnen worden. Maar de geschiedenis heeft nou
eenmaal zo zijn loop gehad. Persoonlijk zie ik geen enkele reden om niet
vriendschappelijk met iemand om te gaan, die toevallig een paar cent minder zou
verdienen dan ik of omgekeerd. Wiens en welke verdienste is dat? Maar om hierop
verder in te gaan is niet de bedoeling van dit stukje. Dat is weer een apart
sociaal-maatschappelijk én historisch verhaal. En als we dát
zouden moeten uitdiepen, zou de ‘schuld’ van menige achterstelling
nog wel eens daar kunnen uitkomen, waar vele brave en gesettelde burgers het
liever niet zien. Denk maar aan de bewuste achteruitstelling en het kort houden
van de arbeidersklasse van zo’n honderd jaar terug.

Oosterstraat
– Breda
Maar nu terugkomende op
die honderd jaar. Een eeuw(feest)? Dat zal er wellicht niet van komen. Daarvoor
is de buurt te divers, liggen de sociale contacten, mede door de gefaseerde
opbouw, te ver uit elkaar. Feit is wel dat men dus honderd jaar geleden een
aanvang gemaakt heeft met het bebouwen en bouwen van wat heet: ‘onze
buurt,’ welke subtitel of naam je het verder ook wil geven. Anderzijds
wil ik in deze, de webmaster van de Oranjeboompleinbuurtsite feliciteren dat
hij het toch aangedurfd heeft zijn site zó te maken en te dirigeren, dat
er voor elk wel wat wils is en dat elk deel van de
wijk als geheel, zij het nog niet volledig, maar toch aan de beurt komt en
aandacht krijgt. Die aandacht krijgen ligt natuurlijk ook aan de lezer, de
bewoner of oud-bewoner die zichzelf nog betrokken voelt. Daarom wil ik ook
graag een oproep doen aan een ieder die de letter A van een B kan onderscheiden
om ook eens zijn of haar ervaringen, wetenswaardigheden of leuke anekdotes te
vertellen, c.q. in te sturen. Onlangs was ik in een café in de buurt en
kwam daar met meerdere mensen in contact. Een stortvloed van verhalen, vele uit
de oude doos, ook vele van het hier en nu, werden me verteld. Waarom dit niet
delen op de site? Zo kan deze site uitgroeien tot een fantastische geschiedkundige
bron én een bruisende hedendaagse buurtsite, ‘eeehhh’
ook voor de volgende 100 jaar?
Silvia
Videler.
(15) Een riant uitzicht op het
Westeinde.

De
Amstelstraat
Zoals ondertussen iedereen
wel weet, woonde ik vroeger in de Oranjeboomstraat. Dat was in het stukje
tussen de Oosterstraat en de Scheldestraat. Ik had mijn slaapkamer aan de
achterkant. Als ik naar buiten keek had ik een riant uitzicht op de wei, die
lag tussen de Oranjeboomstraat en de Amstelstraat. De Amstelstraat heette
overigens vroeger gewoon: Westeinde. Gemakshalve hebben ze de hele wijk maar zo
genoemd. In het begin van de jaren vijftig werd de straatnaam: Westeinde
uiteindelijk gewijzigd in: Amstelstraat. Aangezien ik jaren gebruik heb gemaakt
van deze slaapkamer, alwaar ik natuurlijk als kind niet alleen sliep, maar ook
in speelde en later ook nog mijn huiswerk maakte en zelfs nog mijn studietijd
in doorbracht tot aan mijn 23e toe, heb ik toch wel zo het een en ander kunnen aanschouwen,
wat zich daar, zowel als op de wei en Amstelstraat, allemaal afspeelde. Dit
gedurende de periode van, zeg maar: 1948 tot 1967 toe. Het was natuurlijk
vanzelfsprekend als die ‘gasten’ van het Westeinde aan het spelen
waren op die wei dat ik daar dan niks te zoeken had, want dan werd ik toch
onmiddellijk weggejaagd. Immers, de wei grensde natuurlijk niet alleen aan de
Oranjeboomstraat. Maar hun zagen dat toch meer als een gebied dat alleen bij
het Westeinde behoorde. Als je ook maar even je ‘neus’ liet zien,
dan kwamen ze al op je af. Dus het was voor mij voornamelijk alleen maar kijken
wat daar zoal gebeurde. Nou, daar gebeurde altijd wel wat. Het leek wel of dat
bij hun in het ‘bloed’ zat, maar het was daar regelmatig knokken.
Het was dus niet alleen een vete tegen de Oranjeboompleinbuurtbewoners, neen,
onderling konden ze ook hun handen niet thuis houden en ze gingen vaak flink te
keer. Menige steen is wel eens tegen een of ander hoofd gegaan tot bloedens toe
(die stenen waren daar ruimschoots aanwezig). Daarna gingen de ouders er zich
ook nog mee bemoeien en dan had je al gauw een ‘slagveld’ en ik zat
dan ‘eerste rang’ in mijn slaapkamer, veilig en wel dit gade te
slaan. Onmiddellijk werd dan Janus van Gils, de melkboer, erbij geroepen en
zodra hij zijn gezicht liet zien was het gelijk over. Nog ’n beetje
‘namorrelen’ en de zaak was weer gesust.
Wat ik ook altijd wel
aardig vond, dat waren de voetbalpartijtjes die de jeugd en vaak ook de
volwassenen op dat ‘knollenveld’ speelden. Op een gegeven moment
hadden ze wat doelpalen daar neergezet. Prompt iedere avond gingen toen de
volwassen dan een balletje trappen, tot het donker werd toe. Dat zag er altijd
toch wel vreedzaam uit. Het was eigenlijk best wel leuk om naar te kijken.
Meestal beperkten zij zich tot een ‘balletje goalschieten.’ Een man
of twintig, soms wel meer, trapten dan een balletje naar elkaar toe en als
iemand hem aardig voor zijn voet kreeg, knalde hij deze naar de goal, waar dan
een vrijwilliger in was gaan staan, want iemand moest natuurlijk wel keepen.
Maar eigenlijk had niemand zin om in die goal te gaan staan. Immers, voetballen
is natuurlijk veel leuker. Avond na avond en zelfs jarenlang, waren steeds
dezelfde volwassen personen daar bezig. Het werden zowaar op den duur allemaal
bekenden voor mij. Altijd waren er een paar van de familie Lips bij. Bij mijn
weten hadden ze daar meer dan 20 kinderen thuis en ze leken ook allemaal wel
’n beetje op elkaar. Bovendien waren ze ook nog eens ‘flink uit de
kluiten’ gewassen. Wat zal dat een genot voor Pa en Ma Lips zijn geweest,
toen de kinderbijslag werd ingesteld. Volgens mij kon Pa Lips gelijk stoppen
met werken, want reken maar eens uit hoeveel kinderbijslag je wel niet krijgt
voor zo’n 20 kinderen. Er waren natuurlijk ook al volwassen ‘Lipsjes,’ maar zeker nog een groot aantal kleintjes.
Jaren later zag ik ze en sommige daarvan leken erg veel op hun oudere broers,
die toen op de wei aan het voetballen waren.

Corry
Konings
(Foto:
www.muziekencyclopedie.nl)
Er kwam ook een moment dat
die ‘gasten’ van het Westeinde de wei een beetje gingen egaliseren,
zodat het mogelijk werd er een echt (lijkend) voetbalveld van te maken. Het was
trouwens groot genoeg en ja hoor op een bepaald moment hadden ze het voor
elkaar en konden er bijna volwaardige wedstrijden op worden gespeeld. Die
boerderij van Boer Vriends was inmiddels ook al weg, dus meer ruimte. Zo werd
het voor mij ook leuker. Ik kon vanuit mijn slaapkamerraam alles keurig volgen.
Ook Heintje van Gastel heb ik daar toen wel eens met een bal bezig gezien en
ook nog Frans Remie, die later ook nog in het eerste
elftal van NAC kwam te spelen. Wellicht zat ik op een dag ook naar buiten te
kijken op het moment dat Corry Konings daar ter wereld kwam. Immers, wij keken
tegen dat huis aan. Maar naar binnen konden we natuurlijk niet kijken. Maar
toch wel leuk deze wetenschap. Ook woonde daar ergens een familie, waarvan ze
een zoontje hadden die Jantje heette. Hoe vaak ik dat niet heb gehoord dat een
moeder riep: “Jáááántje,
kom hier!” Zowat elke avond en dit jarenlang. Met een stem, zoals je die
ook wel eens hoorde op een ‘Vismarkt.’ Prachtig, die herinnering!
Maar nogmaals, de voetballende Westeinders waren voor
mij toch wel de leukste momenten van uit die tijd.
Kees
Wittenbols.
(16) De Haagdijk.

Begin
Haagdijk (richting centrum)
Ondergetekende
was ooit een bewoonster van de Oranjeboomstraat in de jaren 1950 tot 1970. Kort
daarna zijn we en achteraf gezien met grote spijt, vertrokken vanuit Breda.
Maar de laatste jaren en dat terwijl ik nu al weer een hele tijd woonachtig ben
in Zwolle, begin ik steeds meer en meer naar Breda terug te verlangen.
Natuurlijk ging ik eens op een rijtje zetten wat me nou eigen deed
terugverlangen? De mensen van toen? Wel, die zijn er bijna niet meer. De meeste
zijn verhuisd of zelfs al overleden, zeker als ze ruimschoots ouder waren dan
ik. Wat is het dan wel? Mede door een recente wandeling over de Haagdijk
én de Nieuwe Haagdijk kwam het antwoord op deze vraag me helder voor
ogen. Het is een sfeer die je nergens anders tegenkomt! ‘Einmalig,’ zoals de Duitser het zo treffend weet te
karakteriseren. Breda had mijn hart weer opnieuw gestolen en dankzij internet
kwam ik diverse Bredase sites tegen en kon mijn hartje ophalen zoals dat heet.
Via de site www.oranjeboompleinbuurt.nl ben ik ook een oude buurgenoot
tegengekomen die veel op die site schreef en dat ben ik toen ook gaan doen.

Dieststraat
richting Haagdijk ca. 1980
Een
en ander heeft toen geresulteerd in ruim 100 verhalen van weleer, die later
toen in boekvorm werden uitgegeven (Nostalgisch Breda), door de Bredase
uitgever John van Ierland. Maar toen ik deze site bij toeval vond dacht ik
ineens… ja, die Haagdijk. Die lange kromme winkelstraat. Voor ons, voor
mij, toen dé toegang tot de stad! Hoe vaak heb ik niet die Haagdijk heen
en weer gelopen? Ik was in mijn middelbare schooltijd bevriend met een jongen
die op de Haagdijk woonde. Zijn ouders hadden een grote winkel, wellicht kent u
de zaak nog?: Verhagen, kinderwagens en dameskleding. Het was een der grootste
winkels op de Haagdijk met een nooduitgang aan het kleine Rozemarijnstraatje.
Ja, die Haagdijk was zó vertrouwd. Je had er van allerlei winkels, van
sigarenzaken tot een hoedenzaak en ik vond en vind de Haagdijk nog gezelliger
dan bijvoorbeeld de Brugstraten (Korte, Lange en Tol). De Haagdijk heeft iets
gemoedelijks. Geen extravagante zaken, niet te duur, een beetje
‘volks,’ maar vooral gezellig. Vroeger vergeleek ik de Haagdijk wel
eens met de Boschstraat. Ook niet in het échte hart van het centrum,
maar een aanloop ernaar toe. Tijdens mijn laatste recentelijke bezoeken aan
Breda moest ik toch constateren dat de Boschstraat ‘het’ verloren
heeft van de Haagdijk.

Begin
Haagdijk (vanuit Centrum)
De
Haagdijk heeft de sfeer en de gemoedelijkheid van toen nog steeds in zich. Dit
helaas in tegenstelling tot de Boschstraat. Tevens mag ik constateren dat het
zogenaamde ‘oude-vrouwen-gesticht,’ zoals wij het in de
‘wandelgangen’ noemden, bijna geheel uit het straatbeeld is
verdwenen. Niet bepaald een gemis! Want de bouwstijl van dit voormalige
bejaardenoord was nou niet bepaald geschikt om mee te doen met de
schoonheidsprijs voor architectuur. Gelukkig zijn de oude pandjes voorbij de
Dieststraat richting de Haven nog intact en mét de nieuwe uitbreiding en
de reeds gereedgekomen heraanleg van de oude tot
Nieuwe Haven mét terrasjes, zie ik voor de Haagdijk een grote toekomst
weggelegd. De Haagdijk is gelukkig nog een winkelstraat die niet verpest is
door allerlei filialen van landelijke ketens, die het straatbeeld van de meeste
steden bepalen, wat zeg ik?: “van alle (binnen)-steden bepalen!”
Dergelijke straten zoals de Haagdijk mogen/moeten we koesteren, ze worden
zeldzaam en als we niet oppassen zijn straks binnen enkele jaren dit soort karakteristieke
winkelstraten helemaal voltooid verleden tijd. Daarom stel ik voor: “maak
van de Haagdijk ’n monument.” De straat is authentiek en uniek en
bovenal nog steeds bijzonder sfeervol. De buurtbewoners boffen maar met zo'n
straat in hun wijk (oké, ik zie ook wel de minder mooie kanten, maar
over het geheel genomen is het een unieke straat).
Silvia Videler.
(17) Een ‘dorstig’ volkje, die Bredanaars.
Dat mag je wel constateren.
Als je net zoals ik, geboren en getogen bent in
Breda en na vele omzwervingen later toch min of meer een vaste stek hebt
gevonden, maar dan in een andere stad, dan ga je onwillekeurig een vergelijk
maken met de stad waar je oorspronkelijk vandaan gekomen bent. Laat ik
bijvoorbeeld eens ‘n vergelijk maken met het aantal horecabedrijven en
dan in het bijzonder de gewone cafés. Neem Breda, het juiste aantal
cafés, kroegen e.d., het zal best bekend zijn, maar het getal is mij
onbekend. Wél weet ik dat er haast geen straat te vinden is in de
binnenstad zonder een café. Afgezien van de concentraties van
horecabedrijven op de Grote Markt, de Havermarkt, de Vismarktstraat e.d., zijn
er ook nog genoeg te vinden buiten deze grote trekpleisters voor het uitgaande
publiek. Wat te denken van het aantal etablissementen aan de Haagdijk, de
Nieuwe Haagdijk, de Haagweg, de Dreef in Princenhage. De Dijklaan in Tuinzigt,
de Nieuwe Ginnekenstraat, de Ginnekenweg en de Ginnekense
Markt. De Teteringse Dijk, rond het NS-station en dan
nog de vele zaken her en der, al of niet verscholen in de diverse wijken en in
en bij de bossen rondom Breda. Het moeten er in totaal wel enkele honderden
zijn en gezien de meeste van deze zaken geen eendagsvliegen blijken te zijn mag
en moet je constateren dat al deze zaken toch in een zekere behoefte voorzien.
De vele vaak goede tot zeer goede restaurants laat ik dan nog maar even buiten
beschouwing. Ook dat zijn er tientallen! Al met al mag je dan toch constateren
dat de bevolking van Breda en omstreken zich graag te goed doet aan af en toe
eens een drankje en een hapje. Maar dát is het voorwaar niet alleen.

Rondom de Vismarktstraat Breda – een en
al horeca
Als ik een stad neem - en dan zonder de onlangs
geannexeerde dorpen - zoals de gemeente Breda en vergelijk deze met mijn (nog)
huidige woonplaats Zwolle, dan is er sprake van een stad qua inwoneraantal van
een min of meer vergelijkbare grootte. De binnenstad van Zwolle kent dan wel
aardig wat horecagelegenheden, zeker stukken minder dan Breda, ook qua aantal
restaurants, maar de buitenwijken van Zwolle daarentegen: daar moet je echt
gaan zoeken wil je überhaupt iets vinden wat op een cafeetje lijkt.
Bijvoorbeeld: Zwolle-Zuid, een der allergrootste en recentelijk gebouwde
buitenwijken. Ruim 35.000 inwoners! U vindt er welgeteld één
café, wat dan ook nog eens om 21.00 uur zijn deuren sluit. Berkum, een
andere redelijke grote buitenwijk, die moeten het daar echt zonder café
stellen. Maar goed drie gereformeerde of soortgelijke kerken is ook niet mis!
De AA-landen met ruim 15.000 inwoners: welgeteld één klein
cafeetje annex cafetaria. Kortom buiten de relatief kleine binnenstad van
Zwolle vindt u zeer beslist geen 13 cafés, inclusief de restaurants en
of uitspanningen! Vergelijk je dit aantal met Breda dan is de verhouding
helemaal zoek. Dringt zich de vraag op: zijn ze dan in Zwolle allemaal lid van
de Blauwe Knoop? Wis en waarachtig niet! Het aantal slijterijen is schier
ontelbaar. Ik spot er wel eens mee, het zijn er meer dan kapsalons,
bloemenzaken of wat maar ook. Conclusie: het zijn ‘thuisconsumenten,’
of zo u wilt: ‘stiekeme drinkers.’ Maar na jaren ervaring opgedaan
te hebben in Zwolle én Breda eveneens zeer goed kennende en er nog
regelmatig terugkerende, mag ik ook een andere conclusie trekken. De gemiddelde
Bredanaar is een sociale drinker, die graag en veel,
samen met anderen optrekt, drinkt, praat, kletst en uitgaat en dat in
tegenstelling tot de meeste mensen in de wat noordelijk gelegen gebieden van
het land, die hun vertier toch meer geneigd zijn te zoeken in huis of: ‘achter
de gordijnen,’ zoals men dat ook wel eens eufemistisch pleegt te zeggen.
Het zal ongetwijfeld wel de invloed van Calvijn zijn die Zwolle gemaakt heeft
tot wat het is en anderzijds wat Breda betreft zal het zeker de Bourgondische
levensstijl zijn, die Breda gemaakt heeft tot wat het is geworden. In beide
gevallen ‘grosso modo’
gesproken.
Dat verschil is er nu eenmaal en dat verschil
zal wel tot in lengte van jaren ook zo blijven. Dat maakt bijvoorbeeld dat op
een gure, koude en winterachtige regendag de straten van de Zwolse wijken echt
helemaal verlaten zijn en dat je in Breda op dergelijk soort dagen toch nog
altijd het gevoel hebt op veel meer plaatsen welkom te zijn dan in je eigen
vertrouwde (t)huis. Al of niet voorzien van een welgevulde bar met drankjes en
andere lekkernijen. Deze verschillen brengen nog veel meer zaken aan het licht
en die hebben echt niks meer van doen met alcoholconsumptie, maar veel meer
met: ‘het maatschappelijk betrokken zijn.’ Je hoeft er geen
psychologie voor gestudeerd te hebben om te mogen constateren, dat mensen die
elkaar veel en veel meer ontmoeten buiten de beslotenheid van het eigen huis,
ook veel meer open staan voor anderen. Anderen, die ze elders ontmoeten, dus
bijvoorbeeld in het café, op het terras of tijdens een etentje. En dan
worden mensen vanzelf opener, spontaner en jovialer. Men kent elkaar ook wat
beter, dan als men veelal maar thuis blijft en daardoor ook veelal een kleinere
kring van bekende om zich heen heeft. Deze opgedane ervaring én
constatering, annex levenservaring wilde ik u niet onthouden. Mijn vrijblijvend
advies: blijf lekker wonen in Breda, anders gaat u de stad, de sfeer, de
spontaniteit en de ambiance écht missen. Want zodra wij de
‘pensioengerechtigde’ leeftijd hebben bereikt, wel, dan mag u
‘t raden: dan heeft Breda er weer een stel woningzoekenden bij!
Silvia Videler.
(18) Geld ophalen
tijdens de Mis (deel 1).
Toen ik die prachtige foto
zag staan op de voorpagina van de site van de Oranjeboompleinbuurt, met Pastoor
Dekkers erop, schoten me toch weer wat dingen te binnen, wat er zoal in de
beginjaren vijftig in die kerk gebeurde. Het gaat hier om het geld ophalen in
de kerk tijdens de Mis. Ik heb me suf zitten prakkiseren op welk tijdstip dit
steeds gebeurde, maar vermoedelijk was dit net na de preek. Want na de preek
begon in feite het officiële gedeelte van de Mis. Bovendien was het toch
al wel wat rumoeriger in de kerk, nadat de pastoor of kapelaan de preekstoel
had verlaten. Men ging dan de Consecratie voorbereiden, zeg maar. Als eerste
begon dan de koster met het ophalen van het min of meer verplichte
‘aanwezigheidsgeld.’ Ik weet nog dat het toen een dubbeltje was per
persoon. Goed in mijn herinnering ligt nog dat het Frans van Dun, de
schoenmaker uit de Verlaatstraat, was die dit deed. Frans van Dun was ook een
soortement van hulpkoster in die tijd. Maar ook zijn jongere broer Ad haalde
regelmatig geld op. Gelijk hierna kwamen de mannen met de schalen alwaar je dan
het ‘grotere’ geld op kon deponeren. Dat waren van die goudkleurige
metalen schalen, die altijd blonken als een spiegel en die je op de dag van
vandaag nog wel eens ziet bij een antiquair. Een van deze mannen was in die
tijd de heer Langerak. De heer Langerak woonde toen ergens, of in de Pieter Brueghelstraat, of een van die zijstraten. Zijn dochter
Joke kan ik ook nog goed herinneren. Dan had je ook nog een paar mannen die de
rijen afgingen met zo’n hele lange stok, waar ’n een of andere
puntzak aanzat. Die werd zowat langs je neus tot halverwege de bank
doorgestoken. Ik droom daar nog wel eens van en dan gooi ik er geen geld in,
maar ‘iets anders.’ Dromen zijn natuurlijk bedrog, maar toch. Deze
waren heel donker van kleur, weet ik nog. Hier kon je dan enkele losse centen
ingooien. Uiteraard wel vrijblijvend, maar dat gold natuurlijk ook voor die
schaal. De enige echte verplichting was het dubbeltje wat door de koster werd
opgehaald. Daar had hij een hele grote knip (portemonnee) voor bij zich, waar
hij dan ook het wisselgeld mee terugbetaalde. Ondertussen ging dan de Mis
gewoon verder.

Die schaal: ja, dat was handig
bedacht door Pastoor Dekkers. Een zeer opvallend ding. Als je daar iets
ingooide, een muntstuk dus, dan maakte dat zoveel herrie, dat je het overal in
de kerk kon horen. Als dat ding voor je neus werd gehouden durfde je amper te
weigeren. Want iedereen kon meekijken. Stel, dat er je niets ingooide, dan
kreeg je een soort van schaamtegevoel. Als je snel om je heenkeek,
zag je de naaste personen min of meer hun neus optrekken met de gedachte van:
zo, hij geeft niks, wat een ongelovige of iets dergelijks. Dit gevoel werd
mijns inziens toch wel min of meer gecreëerd, door het op deze manier
ophalen van geld. In feite was het nog eens zo: als je zowel op de schaal,
alsmede die puntzakjes en dan nog eens dat ‘aanwezigheidsgeld’ had
betaald, was er toch wel min of meer een ‘rib uit je lijf’ gehaald.
Bij overmaat van ramp stonden dan bij alle uitgangen nog eens offerblokken.
Maar hier werd maar door een enkeling iets ingegooid, naar mijn weten. Als je
uiteindelijk de kerk had verlaten en je had overal aan meegedaan, was je best
’n stuk armer geworden.
Voor ons als kinderen was
dat dubbeltje dat we moesten betalen dan ook het absolute maximum. We hadden
nogal wat kinderen thuis en dat was voor mijn moeder best een flinke uitgave.
Maar wij waren zeker wel handig, al zeg ik het zelf. Als de kerk propvol zat,
bleven uiteraard de laatkomers achter in de kerk staan. Ook volwassenen. Wij
kienden dat dus ook zo uit. Je hoefde dan niets te betalen. Op deze manier
hielden wij dat dubbeltje op zak en wat je daar allemaal niet voor kon kopen.
“Ha ha,” dat hebben wij ons moeder nooit
verteld natuurlijk. Hoe het er tegenwoordig aan toe gaat weet ik niet, maar het
zou me niet verbazen als het nog steeds zo gaat. Maar ja, volle kerken zie je
niet meer. Doch, onlangs vernam ik dat ze langzamerhand weer wat voller
beginnen te ‘stromen.’ Het zijn met name de Polen die hier in
Nederland werken, die met grote getale die richting uitgaan. Polen zijn nou
eenmaal nog steeds ‘poepkatholiek.’ Dat is natuurlijk geen wonder,
want daar ‘leven’ ze nog steeds in de beginjaren vijftig.
Kees
Wittenbols.
(19) Telefoonterreur.
En… als privé-persoon zonder zaak laat u gegarandeerd geld
liggen! Gebeurt u dat ook vooral zo rond etenstijd, dat men u een nieuwe
verzekering wil verkopen, of de huidige zonodig aan
wil passen? Of men belt u om u van uw overtollig geld te verlossen in een
spaarplan-idee zonder weerga en men belooft intussen ‘koeien met gouden
horens.’ Of u wordt gebeld voor een enquête over inlegkruisjes en
anders wel om een proefabonnement te nemen op een of ander dagblad of radio- en
tv-gids. Zo gauw u op een van die dingen ingaat dan is het ‘gebeurd met
de koopman,’ zo zegt het spreekwoord. Dan is uw adres bekend, dat was
natuurlijk al bekend, maar nu is het bekend als van iemand die koopt en die
adressen zijn geld waard! Uw adres met telefoonnummer wordt doorverkocht aan
‘God mag weten wie’ en voor u er erg in heeft staat u in tientallen
bestanden. Dat gebeurt ook als u zo vriendelijk bent om een vragenlijstje in te
vullen via het internet. Eenmaal gedaan en u bent het ‘haasje.’

Maar laten we ons beperken
tot de telefoonterreur. Er zijn mogelijkheden om er voorgoed vanaf te komen.
Nee, ga niet uzelf opgeven bij die adressen die beloven dat u op een lijst
geplaatst gaat worden, waardoor ‘callcenters’ u niet meer bellen.
Dat heeft nimmer het gewenste resultaat. Lang niet alle ‘callcenters’
en verkooporganisaties storen zich hieraan. Gooi uw vaste telefoonaansluiting,
mits u geen bedrijf heeft natuurlijk, eruit. U gaat sowieso enkele tientjes per
maand besparen aan enkel en alleen het abonnementsgeld en dat elke maand opnieuw!
Vele providers, waaronder
ook de KPN, gaan nu mobile-telefoons aanbieden met een nieuw systeem van
gesprekskosten, zodoende, dat het verschil tussen het huidige relatieve
goedkope gesprek dat u vanuit uw vaste aansluiting belt, beslist niet veel meer
gaat kosten via het nieuwe systeem van goedkoop mobile telefoneren. Ik ga voor
geen enkele aanbieder ook maar enige reclame maken. De aanbiedingen die
bijvoorbeeld de telefoonproviders nu op de markt brengen, verschillen ook niet
zo héél erg veel van elkaar. Dat is dus aan u om dat uit te
zoeken. Maar het brengt wel een extra groot voordeel. Let wel, dit geldt
natuurlijk alleen voor privé-personen.
Zakenmensen kunnen niet zonder hun eigen vaste telefoonaansluiting en dat
nummer is reeds bij velen klanten bekend. Dus nimmer dat nummer veranderen.
Maar als privé-persoon zijn er maar een
relatief klein aantal mensen die uw nummer moeten kennen. Geef hen dan dat
nieuwe nummer door en bel vervolgens alleen nog maar via de mobile telefoon,
tegen dat nieuwe goedkope tarief. Uw nummer wordt zodoende niet echt geheim,
maar ook niet meer openbaar en u bent verlost van al die verkooppraatjes, zeker
juist rond etenstijd. En geloof me, ik heb het echt goed nagerekend. Het
scheelt een privé-persoon echt enkele tientjes
per maand. Tel uit je winst en je rust!
Silvia
Videler.
(20) Waren die huisdokters vroeger
nou zoveel beter?
Of waren wij minder ziek?
Bij mijn weten waren de
bewoners vroeger van de hele Oranjeboomstraat en plein en van alle omliggende
straten patiënt bij dokter van den Boezem aan de Laan van Mertersem. En die niet alleen. Ook al die honderden mensen
die in het stuk van het Heuvelkwartier woonden wat tegen de Oranjeboomstraat
aanlag. Het moeten wel enkele duizenden patiënten geweest zijn. De voor
zover ik me kan herinneren dichtstbijzijnde andere huisarts was Dr. Kappelhof aan de Graaf Hendrik III laan/hoek Julianalaan.
En verder kan ik me zo gauw in de omtrek van ‘onze’ buurt geen
andere huisarts herinneren. Dr. van den Boezem was een man van klein postuur,
maar hij reed wel in een immense grote Amerikaanse auto. Volgens mij had hij
een kussentje onder z’n achterste en dan nog kon hij amper boven het
stuur uitkijken. Ach, parkeren en benzine waren in die jaren zeker voor hem nou
niet bepaald een echt probleem dunkt me. Ik kan me nog goed herinneren dat hij
elke morgen vrij spreekuur had. Dat begon erg vroeg, zeker al om acht uur en
misschien nog wel eerder, want ik heb zijn wachtkamer nog nimmer leeg gezin.
Tientallen konden er in plaatsnemen en soms stonden ze buiten onder een afdakje
aan te schuiven. Zonder afspraak en zonder ‘gezanik’ kon je er naar
toe en in een uur of twee, drie, wist van den Boezem er tientallen
‘klanten’ doorheen te helpen. Klachten hoorde je nooit, of haast
nooit over deze man. Hij was naar mijn idee, vrij nuchter en bedachtzaam en
zeker geen vrolijke Frans te noemen. Ook reed hij steevast dagelijks zijn
visites af en ook dat schenen er vrij veel te zijn. Haast elke dag zag je hem
wel ergens ‘schuiven.’ Nu denk je, dat moet een échte geweest
zijn, zo eentje waarvan Prof. Dr. Smalhout (die van
de wekelijkse column in de Telegraaf) nog zou zeggen: “dat was er een met
liefde en roeping voor het vak.” En daar leek het dan ook op. Naar mijn
idee was deze man altijd te bereiken. Van de vroege ochtend tot de late avond
en ook ’s nachts vond je hem bereid om naar een patiënt toe te
komen. Noch bij ons, noch van onze buren heb ik ooit vernomen dat hij mopperde,
of als men hem soms diep in de nacht riep dat hij het dan af liet weten. Verwaand
kon je hem zeker niet noemen, hooguit wat afstandelijk. Wel weet ik van nabij
dat het hem en zijn collega’s ontbrak aan bijscholing en ook aan
psychiatrisch inzicht. Maar het waren tenslotte ook huisartsen en zeker geen
specialisten op een ander vakgebied dan algemene geneeskunde.

Zeker in vergelijk met de
hedendaagse groepspraktijken waar meerdere artsen hun praktijk vanuit
beoefenen, waren dergelijke artsen als van den Boezem een groot goed. Medisch
gezien zeer zeker. Of het ook ‘praatpalen’ waren durf ik te
betwijfelen, maar dat is dan ook weer een andere stiel in deze tak van
dienstverlening. Veel vernieuwingen zijn verbeteringen, vele zaken zijn heden
ten dage ook beter geregeld dan vroeger. Maar de bereikbaarheid en het
vertrouwen wat je in vroeger (jaren 50-60) had of kon hebben in het fenomeen
huisarts, is helaas voltooid verleden tijd. Dezulken zijn er niet meer, worden
ook niet meer opgeleid, zijn helaas ook niet meer te vinden en je kunt er
alleen nog over lezen in streekromans, maar die moeten dan ook uit een
vervlogen tijd stammen. Jammer, maar waar.
Silvia
Videler.
(21) Een markant gebouw in Breda:
de Koepelgevangenis.

Koepelgevangenis
Breda
De koepelgevangenis van Breda
is een zeer markant gebouw. Niet alleen de vormgeving, maar het is bovendien
‘rijk’ aan historie en tevens ‘wijd en zijd’ bekend.
Dit is te danken aan het helaas overbekend verblijf van de ‘Vier van
Breda,’ later de ‘Drie van Breda,’ waar ik zo nog op terug
zal komen. Persoonlijk gaat het mij om de specifieke bouwstijl van dit complex,
enerzijds het gebouw inclusief de koepel en anderzijds de omliggende gebouwen,
zoals het voormalige gerechtsgebouw aan de Sophiastraat. Op de binnenplaats
staat ook nog een kerkgebouw, maar deze is vanaf de buitenkant niet te zien.
Hierover doe ik dan ook verder geen verslag.
De koepelgevangenis werd
tussen 1882 en 1886 gebouwd en is een ontwerp van Johan Frederik Metzelaar, die ook de vergelijkbare koepelgevangenis van
Arnhem ontwierp. Het gebouw werd ontworpen volgens het door de Brit: Jeremy Bentham in 1791 bedachte panopticum-principe. Vanuit het
midden van het cirkelvormige complex konden de bewakers de gevangenen dan
constant in de gaten houden. In mei 2005 is er voor het eerst een soort van
‘open dag’ georganiseerd door het Ministerie van Justitie en
mochten er 75 mensen komen kijken op die dag. Wellicht zal dat later nog wel
eens gebeuren.
De ‘Vier van
Breda’ waren Duitse oorlogsmisdadigers die na de Tweede Wereldoorlog in
de gevangenis van Breda vast kwamen te zitten. In 1948 werden zij veroordeeld
tot de doodstraf, maar deze straf werd in 1952 omgezet in levenslang.
Oorspronkelijk waren zij met zijn vieren, maar één van hen, Willy
Lages, werd in 1966 vrijgelaten omdat hij ernstig
ziek zou zijn. Na een operatie leefde hij nog vijf jaar in vrijheid. De
intentie om de overige drie ook vrij te laten, stuitte in het na-oorlogse Nederland op veel verzet in de samenleving. Dit
kwam vooral door het groeiende schuldbesef onder de Nederlandse bevolking in de
jaren 60 en 70.
Direct na de oorlog werd
er nog maar weinig gesproken over die ‘zwarte periode’ uit de
vaderlandse geschiedenis en was de aandacht vooral op de wederopbouw gericht.
Maar later kwam het besef dat de Nederlandse bevolking in de Tweede
Wereldoorlog tekort was geschoten in de bescherming van Joodse landgenoten.
Juist dit schuldbesef speelde een belangrijke rol bij de stellige houding die
veel mensen aannamen tegen vrijlating van de drie van Breda. Het groeiende
nationale schuldgevoel leidde zo paradoxaal genoeg tot het langer vasthouden
van de Duitse oorlogsmisdadigers. Vooral in 1972 liepen de emoties rond de drie
van Breda hoog op. De minister van justitie van het toenmalige kabinet, KVP-er
Dries van Agt (de KVP was een van de voorlopers van het CDA), wilde de
‘Drie’ gratie verlenen waardoor ze zouden vrijkomen. Vanuit de
bevolking was er veel onbegrip. Ook de oppositie onder leiding van de PvdA was
tegen de vrijlating. Dit leidde tot een tumultueuze hoorzitting in de Tweede
Kamer, waarbij tegenstanders van Van Agt vanaf de
publieke tribune hun ongenoegen uitten.
De PvdA diende de dag erop
een motie tegen vrijlating in en deze werd aangenomen, mede door steun vanuit
de regeringspartij VVD. Hierdoor bleven de ‘Drie van Breda’
vastzitten. In 1979 stierf een van hen in de cel. In 1989 laaide het debat rond
de twee overgebleven oorlogsmisdadigers opnieuw op, omdat er weer sprake zou
zijn van vrijlating. Deze keer was het maatschappelijke verzet minder fel,
waardoor ze in dat jaar op vrije voeten kwamen. Kort daarna stierven ze.
De ‘Vier van Breda:’
Willy Lages
(1901-1971): was in WO-II hoofd van de Sicherheitsdienst
in Amsterdam en gaf vanaf maart 1941 leiding aan de Zentralstelle
für Jüdische Auswanderung (Centraal bureau voor Joodse emigratie). Dit
orgaan regelde de deportatie van joden naar concentratiekampen in Duitsland en
Polen. Hij zou na de oorlog de doodstraf krijgen maar dit werd in 1952 omgezet
tot levenslang. In 1966 kwam hij vrij omdat hij ernstig ziek zou zijn. Na een
operatie leefde hij nog vijf jaar.
Joseph Kotälla
(1908-1979): was vanaf september 1942 hoofd van de administratie in Kamp
Amersfoort. Had als bijnaam de beul van Amersfoort. Hij had psychische problemen en werd in
Amersfoort psychiatrisch behandeld. Kotälla
maakte deel uit van diverse vuurpelotons. Na de oorlog werd hij ter dood
veroordeeld, maar ook zijn straf werd omgezet tot levenslang. Kotälla stierf in 1979 in de gevangenis in Breda.
Ferdinand aus der Fünten (1909-1989):
was Hauptsturmführer bij de SS en werkte onder
Willy Lages bij de Zentralstelle
für Jüdische Auswanderung. Hij had de dagelijkse leiding over dit
orgaan. Hij werd na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf, maar ook bij hem
werd dit in 1952 omgezet tot levenslang. Hij werd in 1989 wegens ziekte
vrijgelaten en stierf kort daarna.
Franz Fischer (1901-1989):
was in de Tweede Wereldoorlog Sturmbahnführer
bij de SS. Hij werd na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf. Dit werd in 1952
omgezet tot levenslang. Fischer werd samen met Aus
der Fünten in 1989 vrijgelaten en overleed niet
lang daarna.
Kees
Wittenbols.
(22) De krantenadvertenties van de
jaren zestig.
Leren ons dat het leven er niet in álles duurder op geworden
is.

Meisje
met de chocoladereep
Met bijzonder groot
genoegen en een zweem van nostalgie en heimwee, bekijk ik graag de oude
krantenadvertenties die Ton Damen bij enige regelmaat plaatst op de site: www.oranjeboompleinbuurt.nl. In het
bijzonder de advertenties uit de zogenaamde ‘sixties’ spreken me
bijzonder aan, want dat was de tijd dat ik een redelijk besef kreeg wat een en
ander zo allemaal wel niet kostte. Natuurlijk vergeet je na tientallen jaren
die prijzen en wat je dan denkt dat iets kostte wordt dan maar weer eens
duidelijk, als je die oude advertenties ziet en leest. Wat ik nog wél
weet was dat het inkomen van een geschoolde arbeider in die tijd tussen de 70
en de 100 gulden netto per week lag en iemand die wat meer tussen de oortjes
had opgeslagen doordat hij het geluk had een schoolopleiding genoten te hebben,
wel, die kwam dan al gauw aan de 100 tot 150 gulden netto per week. Pas aan het
begin van de jaren zeventig werden de lonen enorm veel opgetrokken en uiteraard
ook de prijzen. Maar in dit artikel wil ik me beperken tot het begin van de
jaren zestig, toen bijvoorbeeld de vakbond nog streed voor de beruchte 85
gulden schoon per week in de bouw. Van die tijd zijn dan ook de advertenties
die op de bovenvermelde site te vinden zijn.
Enkele voorbeelden: Een
Philips tv met een beeldscherm van 59 cm, zwart-wit natuurlijk, daar betaalde
je gemiddeld 695 tot 928 gulden voor. Een Renault Dauphine,
een kleine Franse vierdeursauto kostte 5.650 gulden en een Engelse Austin A40
deed 100 gulden méér! Kocht je toen echter een kleine Austin-7,
de voorloper van de Mini, dan was je ‘slechts’ 4.595 gulden kwijt
en zo’n piepklein Fiatje, nog nét niet
de kleinste, maar een 600 uitvoering, die deed 4.345 gulden. Een Solex (fiets
met hulpmotor), die ging over de toonbank voor 375 gulden en een beetje
redelijk fototoestel met niet al teveel toeters en bellen, die kostte toch ook
al gauw een kleine 100 gulden. Wat kleding betreft was er niet al teveel te
zien, maar een bh deed in die tijd tussen de 8,95 en 13,95 gulden, een paar
nylons één gulden en dat moest je ook neerleggen voor een pakje
shag. Wat ik me ook nog als de dag van gisteren herinner, dat waren de mensen
die na de oorlog hier in Nederland gebleven waren. Voormalige militairen en
uiteraard getrouwd met een Nederlands meisje. Diverse van die gezinnen woonden
in onze buurt en in de jaren zestig kwam voor deze mensen de eerste
mogelijkheid de indertijd moeilijke en verre reis te maken als toerist naar hun
oorspronkelijke vaderland. De horrorverhalen waarmee ze terugkwamen maakten
destijds een grote indruk op mij. Zoals het zovele maanden moeten werken om een
bepaald artikel te kunnen kopen. Er werd toen niet verteld hoeveel
Zloty’s (Poolse munteenheid) iets dergelijks kostte, maar hoelang men
moest werken om een bepaald artikel in bezit te krijgen. En dan werd als
rekeneenheid een vol maandsalaris genomen. Toen ik jaren later zelf veel in het
toenmalige Oostblok kwam, viel mij deze rekenmethode daar ook al op.
En zo gek is deze methode
dan ook niet om iets duidelijk te maken. Want wat zeiden ons de kunstmatige
omrekenkoersen van Roebels, Kronen, Zloty’s, Forinten, Leva’s en Lei’s?
Niets toch? Wat we wél wisten was dat Amerikaanse goederen erg duur
waren, want de Dollar stond toen op gemiddeld 3,62 gulden en een Engels Pond
was gelijk aan één tientje! En voor een Duitse mark betaalde je
slechts negentig centen en een Belgische Frank was ruim zeven centen waard.
Maar daar hield onze kennis van vreemde valuta meestal wel bij op. Mét
die Oost-Europese rekenmethode krijg je dan ook een aardig beeld van de prijs
en inkomensverhouding van toen en nu! Uitgaande van die 85 gulden schoon per
week, dat is dan 365 gulden per maand! Dus voor een gemiddelde tv moest je dan
ruim 2 maanden werken. Voor een Renault Dauphine, wel
dat was ruim 15 maanden zwoegen. Een Fiatje 600 had
je dus al na exact één jaar bij elkaar (als je verder dus niets
uitgaf!). Een Solex was pas je eigendom na één maand en een paar
overuurtjes en een setje damesonderkleding kostte slechts anderhalve dag
werken. Maar nu aan de dag van heden. Vandaag mag je een netto loon rekenen
voor soortgelijke beroepen, als waar toen 85 gulden schoon per week voor
neergeteld werd op zo’n 1.500 euro netto. Hét grote verschil is
dat we nu veelal met tweeën werken in één gezin en toen was
voornamelijk de man de enige kostwinner. Met een beetje fantasie kun je een
auto van toen, die gemiddeld zo’n 5.000 gulden kostte, vergelijken met de
kleine auto’s van nu. Een beetje Daihatsu of andere soortgelijke Japanners
en Koreanen heb je al voor ongeveer 10.000 euro. En met de ons gekozen
rekenmethode komt deze auto dan uit op: ruim 6,5 maand werken. Da’s toch
mooi een poosje minder dan destijds voor zo’n apparaat. Een beetje scootmobiel, zonder verplichtte helm, de Solex van de jaren
2000, die kost meer dan een maand werken, want daar betaal je al gauw een dikke
2.000 euro voor, zoniet meer. En een beetje tv kost
tegenwoordig ongeveer 300 euro. Dan moet je natuurlijk geen plasma-uitvoering
willen hebben en die 300 euro staat dan weer voor nog geen week werken! Was een
pakje shag destijds één gulden, dus 1/85 deel van uw netto
weekloon, nú kost datzelfde pakje shag ruim 5 euro en dus: (1.500 : 4,3
[weken per maand] = 348.84 p.w. : 5) = 1/69 deel van uw netto
‘week’-loon. Ondanks uw gevoel zijn shag en sigaretten dus…
goedkoper geworden! Al met al, u ziet dat rekenen een kunst op zich is en soms
voor verrassende uitkomsten kan zorgen.
Silvia
Videler.
23. Schaken, een spannende bezigheid.
Het is natuurlijk niet
alleen schaken dat mijns inziens een spannende bezigheid is, maar het is wel de
sport waar ik me jaren mee heb beziggehouden. Vooral in wedstrijdverband en
daar wil ik iets over gaan vertellen.
Omdat dat ik heel erg vroeg
al gefascineerd was van deze sport (ja, schaken valt onder de categorie sport)
heb ik me op 15e jarige leeftijd (1959) aangesloten bij een schaakvereniging.
Het was even zoeken welke vereniging het zou gaan worden. Er waren in de jaren
vijftig en zestig enkele verenigingen in Breda, waaronder ook nog de
schaakvereniging Max Euwe en De Variant. Het werd uiteindelijk de Bredase
Schaakvereniging. Die hadden destijds een ruimte boven Café-Restaurant
de Beurs op de Grote Markt. Na enkele vriendschappelijke partijtjes te hebben
gespeeld, tegen vooral wat oudere schakers, bleek dat ik nog heel veel moest
leren. Maar toch kwam vrij snel meer inzicht, om opgewassen te worden tegen
deze zeer geroutineerde spelers. Alle begin is moeilijk, nietwaar? De Bredase Schaak
Vereniging had destijds 2 teams, bestaande uit 10 personen per team, die in de
externe competitie meededen. Het eerst team speelde in de hoogste klasse van de
Noord Brabantse Schaak Bond en het tweede een paar klassen lager. In het
‘tweede’ ben ik dan ook gestart. Doch na ’n jaar of wat ging
ik met mijn speelsterkte sprongen vooruit en kwam vanzelf in het eerste team
terecht. De hoogste klasse van de Noord Brabantse Schaak Bond was al best wel
een sterke klasse. Als we zouden promoveren kwamen we in de Nederlandse
Competitie terecht. Die bestond toen uit een hoofdklasse, eerste en tweede
klasse. Het is de Bredase Schaakvereniging wel eens gelukt om in die 2e klasse
te komen van de Nederlandse competitie (KNSB). Dat kwam mede doordat er zich
intussen wat sterke spelers bij de vereniging waren gekomen. Dat ware onder
andere de heer Bastiaansen en de heer Makenschijn.
Deze twee zorgden vaak voor overwinningen en zodoende werd een keer promotie
bereikt.
In de beginperiode van
mijn tijd bij de Bredase Schaakvereniging waren er enkele bekende en
vooraanstaande Bredanaars daar lid van. Enkele
bekende leden waren toen: Notaris Beekers, Mr Rassers
(van het advocatenkantoor), de heer Baaijings,
oud-voorzitter NAC en huisarts Dr. Nijeholt, die zijn
praktijk had in de Mauritsstraat. Het was nog net de tijd dat beoefening van de
schaaksport bijna uitsluitend werd gedaan, door mensen die een universitaire
studie hadden gevolgd en andere hoge opleidingen. Maar dit ging toch wel snel
veranderen, want de ‘promotie’ voor de schaaksport was groot en
veel jongelui, van welke ‘rang en stand’ dan ook sloten zich aan
bij de diverse verenigingen. Dat was maar goed ook, zodoende voelde ik me ook
meer op mijn gemak als ‘simpel’ tekenaartje. Doch men heeft nooit
minachtig op mij neergekeken. Immers, ik verscheen daar steeds in ‘pak
met stropdas,’ dus ik viel niet zo uit de toon. Jaren later is de Bredase
Schaakvereniging toch een fusie aangegaan met de schaakvereniging Max Euwe en
de nieuwe naam werd toen: Breda Max Euwe Combinatie. Later kwam weer een nieuwe
naam en werd het Schaakvereniging De Baronie. Heden ten dage is deze vereniging
onder deze naam nog steeds actief. Maar ik ben al jaren geleden met deze sport
gestopt. Het kwam min of meer door het feit, dat wanneer ik naar het bovenlokaal
liep, boven Restaurant de Beurs, ik me langs verscheidene biljarttafels heen
moest ‘worstelen.’ Die biljarttafels gingen er op den duur steeds
aantrekkelijker uitzien. Toen kwam al snel het moment dat ik niet meer naar
boven ging, maar vaak een partijtje ging biljarten. Uiteindelijk vond ik
biljarten leuker en begon het schaken te verwaarlozen, zodoende.
Je zou schaken ook kunnen
vergelijken met een soort van oorlogvoering met je tegenstander. Als je sterker
speelt dan je tegenstander ligt al snel de overwinning binnen handbereik. Dat
geldt uiteraard nog wel voor meer van die bordspellen, maar de vorm van de
schaakstukken doen je vermoeden dat je een heel leger aan het regisseren bent.
Uiteindelijk gaat het erom om die koning definitief het zwijgen op te leggen en
daarna ben je de overwinnaar! Of te wel schaakmat te zetten. Alleen al met deze
bewoordingen nodigt vele mensen uit de schaaksport te willen gaan beoefenen.
Kijk, dammen is natuurlijk ook wel leuk, maar hier is het toch meer een kwestie
van goed rekenen en veel zetten vooruitdenken. Nog een nadeel van dammen is dat
je ’s nachts in je dromen, na een ‘zware’ partij, alleen maar
schijfjes voor je ogen ziet schuiven. Schaken vind ik veelzijdiger. Je moet met
de stukken gaan combineren, een soort van samenspel tegen de vijand. Heel
fascinerend!

Wedstrijd
tussen Fischer en Botwinnik
In zijn totaliteit heb ik
zo’n 20 jaar schaakgespeeld in zowel intern als extern verband, ook nog
aan de Bredase kampioenschappen (overigens nooit kampioen geworden) en aan
verscheidene toernooien meegedaan. Ook bij simultaanwedstrijden was ik meestal
wel van de partij. Een keer heb ik het genoegen gehad te mogen spelen tegen een
Russische grootmeester en wel: Salomon Flohr (1908-1983). Heel jammer is dat ik
de wedstrijdnotatie niet meer kan vinden, want ik had een zeer goede stelling
opgebouwd, waarbij ik een bepaalde zet niet durfde uit te voeren, waarbij ik op
dat moment bijna zeker wist dat ik in een gewonnen stelling zou geraken. Maar
ik durfde dat niet, omdat ik bang was dat het een valstrik van hem was en er
vooraf al vanuit gegaan was dat ik toch niet van hem kon winnen. Achteraf
gezien natuurlijk ‘glad’ fout. Want je weet nooit hoe een
‘koe een haas’ kan vangen. Ik deed dus
een andere zet en uiteindelijk moest ik toch het ‘loodje’ leggen.
Ook de overige 40 deelnemers verloren toen hun wedstrijd. Het was ook in deze
gelegenheid dat de beste schaker in die tijd: Michail Botwinnik
(1911-1995) aan een andere tafel met ook weer 40 anderen aan het spelen was.
Hier wist 1 deelnemer een remise te bereiken. Laat dat nou toevallig ook de
sterkste schaker zijn van Breda destijds: de heer Stofmeel. Die partij heeft
nog met ‘geuren en kleuren’ destijds in de krant gestaan. Want
remise spelen tegen een schaker als Botwinnik, was
een regelrechte sensatie.

Wedstrijd
tussen Botwinnik en Flohr

Afdruk
deelnemerskaart Simultaanwedstrijd (5-1-1964)
(met
de handtekening van Salomon Flohr)
Dat probleem had ik vroeger
toch al wel, als ik tegen een schaker moest spelen die een academische titel
had. Ik ging er gevoelsmatig vanuit dat ik toch nooit van hem zou kunnen
winnen. Immers, hij had gestudeerd en dacht daarom ook dat hij dan ook wel
beter zou schaken. Maar na zo’n jaar of tien ‘lapte ik dat allemaal
aan mijn laars’ en zag zo iemand als mijn gelijke en menig academicus
heeft toen tegen mij het ‘loodje’ moeten leggen. Het verstand komt
met de jaren zeggen ze wel eens. Toen ik dit artikeltje begon te schrijven
bedacht ik me ineens dat ik best wel een boek daarover zou kunnen schrijven. Ik
ken nog heel veel namen van schakers uit Breda en de directe omgeving, met al
hun bijzondere karaktertrekken en eigenaardigheden. Ook zit er een hele
psychologie aan de schaaksport vast. Maar hier denk ik voorlopig nog even over
na.
Een heel leuk moment wil
ik toch nog wel even kwijt. We hadden een lid van ongeveer 85 jaar oud. Die
goede man ging ook nog steeds mee naar uit-wedstrijden,
want het was zijn ‘lust en zijn leven’ schaak te kunnen spelen. De
meeste wedstrijden verloor hij, maar dat maakte hem niet zoveel uit, dacht ik.
Hij was gewend aan het verliezen van wedstrijden. Tijdens een externe
competitiewedstrijd gebeurde het een keer: hij wist de wedstrijd te winnen. Ik
heb nog nooit iemand zo gelukkig zien stralen. Hij riep volmondig uit:
“dit is de mooiste wedstrijd van mijn leven!” De andere waren nog
druk met hun partijen bezig, dus hij had alle aandacht. Ik vond dit een
geweldige reactie van zo’n oud iemand en leefde geheel met hem mee en
stond op om hem te feliciteren. Moet je nagaan, dik in de tachtig al en geeft
de reactie: “dit was de mooiste wedstrijd van mijn leven!” De goede
man leeft natuurlijk niet meer, want dan zou hij nu ongeveer 130 jaar oud zijn.
Maar gelukkig blijft de herinnering wel jong.

Jeugdschaakwedstrijd:
Breda-Luxemburg (23-7-1962)
(Ikzelf
spelend/noterend aan het tweede tafeltje, ook zichtbaar: de heer Jansen,
jeugdwedstrijdleider)
Ook kan schaken best wel
zwaar zijn. Denk eraan dat een normale partij wel 5 uur kan duren. Je moet dan
ook 5 uur geconcentreerd bezig zijn, anders kun je de overwinning wel vergeten.
Ik heb het vaak meegemaakt dat ik zo geconcentreerd bezig was, dat ik na de
partij zowat gewond het strijdtoneel moest verlaten. Ik had bijvoorbeeld te
lang met mijn benen over elkaar gezeten en kreeg daardoor een
‘slapend’ been, waardoor ik na afloop nog amper kon lopen en ook
het bekende ‘klapvoetje’ had opgelopen. Het klinkt misschien een
beetje raar, maar je kunt maar beter voordat je met een schaakwedstrijd begint
een goede conditie hebben, zowel geestelijk als lichamelijk. Tenslotte wil ik
nog even vermelden welke schaker mijns inziens de beste schaker allertijden is
en wel: de Amerikaan Bobby Fischer, helaas onlangs overleden op 64-jarige
leeftijd. Niet alleen de beste, maar was ook altijd mijn favoriet! Voor
iedereen die een beetje de schaaksport kan waarderen, kan ik u adviseren om
naar een vereniging te gaan. Daar ontmoet je andere schaakliefhebbers en het is
een genot steeds tegen verschillende mensen te kunnen spelen.
Kees
Wittenbols.
(24) Verboden op het gras te lopen.
En kikkers waren niet gewenst in de kerk!
Kunt u zich nog de bordjes
herinneren die vroeger, zo’n veertig, vijftig jaar geleden alom in parken
en plantsoenen stonden met een soortgelijke tekst? Verboden zich op het gras te
begeven! Zelfs op het Oranjeboomplein was het strikt verboden om op het gras te
lopen. D.w.z. op dat stuk van het plein waar het gras groeide. Datzelfde gold
trouwens voor de wat ruimere grasvelden in of van het van Sonsbeeckpark
of in het Valkenberg in de binnenstad. Dit waren heus niet de enige plaatsen
waar men met de sterke arm van de wet in aanraking zou kunnen komen, als je je
buiten de begaande wegen begaf. Ook voor het Wilhelminapark, de Engelse tuin in
het Brabantpark enzovoorts. Kortom, alle openbare plaatsen en pleinen die van
een grasmat waren voorzien van gemeentewegen, daar gold die strenge regel die
toen nog in de Algemene Politie Verordening stond beschreven. Op ons eigen Oranjeboompleintje
had de politie de onbezoldigde medewerking van een bewoner, ene heer Vos, die
het plein bewaakte als gold het een particulier en waardevol eigendom van
hemzelf. Ik weet zelfs nog dat er ooit wel eens boetes aan mensen zijn
uitgedeeld in de jaren vijftig en naar ik meen tot zelfs een bedrag van wel
zeven gulden vijftig, voor het ongeoorloofd betreden van het grasveld. Hoe deze
‘wetsovertreders’ dat toen ervaren hebben is mij onbekend. Ik vond
het van jongs af aan een toch wel hele vreemde gewaarwording, dat juist
grasveldjes in parken en plantsoenen verboden terrein waren. Pas op het einde
van de jaren zestig, begin jaren zeventig is er een omslag gekomen. De
eventuele omheiningen werden weggehaald of gesloopt. Korte tijd later stoorde
niemand zich meer aan het feit dat en met name kinderen gebruik gingen maken
van parken en plantsoenen als speelveldjes. In de ons omringende landen was dit
fenomeen echter geheel onbekend. Ik weet nog, vooral in Engeland, dat men daar
juist massaal, mits het weer het toeliet, zijn verpozing ging zoeken op de soms
extra grote weides die waren aangelegd, juist om de bevolking te gerieven.

Van
Sonsbeeckpark – Breda
Ook de zogenaamde taluds
aan de singels en dat in het bijzonder die van de Weerijssingel
en de Bernhardsingel waren eveneens verboden terrein voor de kinderen, althans
volgens de visie van de plaatselijke Bromsnor, de heer Koenders uit de Jeroen
Boschstraat. Ook ondergetekende is menigmaal door hem vermaand mijn biezen te
pakken, als ik heerlijk zat te zitten en te niksen aan de waterkant. Tot
justitiële vervolgingen is het echter nimmer gekomen en wellicht vond hij
dat wel ergens jammer, dat had zijn gezag nog eens kunnen bevestigen. Maar ik
weet wel dat we ooit eens met een groepje kinderen aan het spelen waren bij de
waterkant en een van ons bemerkte de gedaante van Koenders plots op en als een
stel betrapte boefjes vloog iedereen een kant op, om aan de vermanende woorden
en moppers van deze Bromsnor te ontkomen. Want
Koenders ging vrij ver in zijn persoonlijke vendetta, soms vond hij het zelfs
nodig naar de ouders van de kinderen te gaan, om hen er van op de hoogte te
brengen in welke gevaarlijke en streng verboden situaties hun spruiten weer
waren aangetroffen, dit in de hoop dat de ouders dan nog een vervolgprocedure
konden instellen. Ik weet echt niet hoe diep de singel aan de dag van vandaag
nú is. Wel wist ik dat vlak bij de plaats waar de vroegere Verlaatbrug
lag, er een doorwaadbare plaats was. Uiteraard niet in de winter, maar toch wel
zeker gedurende de zomer als het waterpeil erg laag stond. Zo maakten wij ons,
als kinderen, ook wel eens schuldig aan de onvergefelijke misdaad van het
vangen van salamanders. Bij het zijriviertje van de AA of Weerijs,
de zogenaamde Zaart in het Boeimeer kon je soms
prachtige salamanders te pakken krijgen en ook kikkers waren dikwijls onze
beoogde trofeeën. Dat hiervoor een visakte nodig bleek te zijn, dát
hadden wij natuurlijk in onze stoutste dromen nooit gedacht en ook voor deze
grove misdaad zijn wij toen wel meerdere malen met de plaatselijke Hermandad in
aanraking gekomen. Ja, wij waren dus echte draaideurcriminelen of veelplegers
zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen.

Weerijssingel - Breda
Zo hebben wij ook eens een
poging gewaagd pastoor Dekkers tot absolute wanhoop te brengen. Dit tijdens een
dienst die hij toen verzorgde op zondagmorgen. Het was om tien uur tijdens de
zogenaamde hoogmis. Wij hadden de zaterdag ervoor een tweetal, naar later bleek
brulkikkers te pakken gekregen. Nee, niet aan de Zaart,
maar wel ergens in de buurt van de Rith. Geloof me,
brulkikkers hebben deze naam niet voor niets gekregen. Lieve hemel wat kunnen
die krengen tekeer gaan. Daar is het gekwaak van een gewoon lief kikkertje echt
helemaal niets bij. Het leek aanvankelijk op een grote sof uit te lopen. Ergens
heel diep achterin de kerk lieten wij die brulkikkers los in de hoop dat ze van
hun aanwezigheid spoedig blijk zouden geven. We hadden ze verstopt in een
vochtig doosje met wat slablaadjes en ander vochtig onkruid, want we wilden ze
niet laten verhongeren. Met grote angst dat die beesten bij het binnengaan van
de kerk al meteen begonnen te krijsen, hielden we ons helemaal achterin schuil
in de hoop dat de kikkers rustig bleven. Zodat wij anders meteen naar buiten
konden rennen. Maar de kikkers bleven muisstil. Je hoorde ze zelfs niet, ook al
hield je het doosje stijf tegen je oren aan. Eenmaal plaatsgenomen op een van
de achterste banken gaven we de beestjes direct de vrijheid en toen maar
rustig, zij het toch een beetje angstig afwachten. Er gebeurde niets, binnen
één tel waren ze aan het zicht ontrokken
en hadden hun weg gevonden door de banken. Het duurde tot wonder boven wonder
tot aan de preek toe voordat de familie kikker van de schrik van hun tijdelijke
detentie was bekomen en begonnen elkaar toen in de hun geëigende
‘brulkikkertaal’ toe te roepen. Inmiddels bleken ze al ver
verwijderd te zitten van onze plaatsen in de achterste rijen. Dus… elke
verdachtmaking jegens ons was natuurlijk helemaal ongepast. Ik moet eerlijk
toegeven dat pastoor Dekkers sportief en humoristisch reageerde op deze ongewenste
kerkgangers, maar ons stoute gedrag werd toch in grote mate beloond door de
reactie van enkele wat oudere dames, die reageerden zoals van oudere dames in
die tijd verwacht kon worden. Gewoon schitterend, ze kwaakten nog harder dan de
brulkikkers zelf. Hoe men het voor elkaar gekregen heeft was letterlijk aan ons
gezichtsveld onttrokken, maar in een mum van tijd hadden enkele heren deze
jolige beestjes toch te pakken gekregen en wat men ermee gedaan heeft? Dat
vertellen de analen niet. Als ik pastoor was geweest had ik ze weer bij de
nonnen losgelaten.
Silvia
Videler.
(25) Snoep en andere lekkernijen,
helaas ook al tijdsgebonden.
Regelmatig betrap ik me er
nog wel eens op dat ik in de vakken bij de supermarkt bij snoep en andere
lekkernijen nog wel eens rondsnuffel naar iets van mijn gading. Nog pas geleden
heb ik bijvoorbeeld een wel hele grote plak chocolade van Côte d’Or weten te ‘arresteren.’ Op zo een moment
denk ik dan soms terug aan de grote keuze van veelal Belgische chocolade die er
te koop was in het Breda van mijn jeugd. Repen met advocaatvulling,
frambozenvulling, aardbeien, room enzovoorts. Kom er heden ten dage nog eens
om! De keuze is zeer beperkt. Misschien niet in merken, maar wel in soorten en
smaken. En erg veel geld hoefde het ook al niet te kosten. Kent u nog de
zogenaamde koetjesrepen voor slechts een dubbeltje? Neen, die konden niet in de
schijn staan van de echte Kwatta-repen, maar die waren
dan ook een kwartje! Maar van ongekende kwaliteit! Vellen snoeppapier, onder andere
verkrijgbaar, vroeger althans, bij de Kleine Bazaar van Jacobs in de
Oranjeboomstraat, maar ook in het snoep- annex sigarenwinkeltje aan de Pieter Breughelstraat en dat spul kostte slechts één
cent per vel. En bij ‘boerke’ van Gils tegenover de kerk had je
soms mazzel en zaten die vellen nogal eens aan elkaar geplakt. De Faamfabriek
produceerde niet meer te evenaren drop in rolletjes van slechts een dubbeltje.
Die smaak is nergens meer te vinden, zelfs Venco evenaart het niet.

Pepermuntfabriek
De Faam Breda
Waar vind je nog salmiak?
Een hele puntzak voor een stuiver! Je kon er wel een half uur mee zoet zijn en
je vinger werd tenminste ook nog schoongehouden. Zoethout voor een habbekrats,
ik zie het nergens meer. Parijse bollen bij de bakker, een variant van het
roombroodje, maar met geglazuurde suiker erop. En een puddinglaagje tussen het
deeg. Heerlijk, maar ook deze lekkernij is nergens meer te verkrijgen. Ook
zuurtjes waren echte zuurtjes, soms zo zuur dat je smoel ervan vertrok, zo weet
ik me nog te herinneren en er werd misschien wel een heuse aanslag gepleegd op
de smaakpapillen. Maar het waren tenminste échte zuurtjes! Jodenvet, wat
bijna niet te snijden was en soms met een hamertje van de hoop of het blok werd
afgeslagen. Het hele gamma, het aanbod, was mijns inziens destijds ruimer en breedschaliger dan nu het geval is. De keuze was dan ook
naar mijn herinnering groter dan nu en het onmiskenbare voordeel was dat je de
meeste zaken los of per stuk kon kopen. Nu is het meest simpele zakje snoep al
gauw een eurootje of twee én voorverpakt.
Lollies
waren er ook en in vele soorten en maten. Plat, puntig of in een bolvorm. Kent
u die kleine pakjes kauwgom nog? Bijvoorbeeld de Bazooka voor slechts een
stuiver? Ook was snoep veel en veel meer te koop dan nu het geval is en daar
bedoel ik dan mee op veel meer plaatsen verkrijgbaar. Noga, en zeker die noga
van de kermis smaakte toch anders en was voller van smaak. Zou dit alles komen
door de geur, kleur en smaakstoffen die tegenwoordig haast in elk product
worden toegevoegd en was het vroeger allemaal puurder en daardoor echter? Wie
kent nog de toverballen met eindeloze kleurvarianten? Ik weet echt niet waar ik
ze nog zou moeten kopen. Overigens echte snoepwinkeltjes zijn nu een
zeldzaamheid geworden. Op een enkele Jamin na, die helaas duidelijk een B-kwaliteit
voert met haar assortiment van snoepgoed en chocolade. Maar het spul wel voor
super A-prijzen aan de man brengt. Ook de lekkere bolussen bij de bakker,
nergens meer te vinden, ik zou het althans niet weten waar. Misschien is het
omdat ik niet in het zuiden woon en het daar nog wel te verkrijgen is, maar ik
mis bijvoorbeeld de echte appelbollen. Helemaal onbekend, hier tenminste.
Trouwens ook de smaak van echte sinas, zoals die van de Hero en de Riedel en de
Sisi is aangepast c.q. gewijzigd. Jammer, heel erg
jammer! Gelukkig kan ik nog wel eens de hand leggen op de echte spekkies, maar
dat is dan ook iets van het hele weinige wat ik nog kan vinden van toen!
Silvia
Videler.
(26) De Lourdesschool was zo slecht
nog niet.

De
Lourdesschool aan de Dr. Struyckenstraat
Over de Lourdesschool heb
ik al het een en ander geschreven. Maar nooit echt, hoe het daar eigenlijk
precies aan toe ging. Het is natuurlijk niet te vergelijken met de school van
tegenwoordig, maar het onderwijs wat we daar kregen was zeker minstens zo goed
als nu. Misschien zelfs wel beter. Met dat beter bedoel ik dan voor leerlingen
die goed mee konden komen. De onderwijzers waren echt niet flauw. Als je bijvoorbeeld
na een rekenles vier fouten in de opgaven had gemaakt, kreeg je er ook prompt
een zes voor. Had je acht fouten dan werd het ’n twee! Aan het eind van
“elke maand” werd het gemiddelde berekend en dat cijfer kwam gewoon
‘keihard’ op je rapport. Dus je zette alle ‘zeilen’ bij
om slechte eindcijfers te voorkomen. Daar waren ze heel streng in. Gelukkig kon
ikzelf redelijk goed meekomen en dan rol je in feite goed door je lagere
schooltijd heen. Met Nederlands had ik gelukkig maar weinig moeite. Juist die
Nederlandse taal was voor de meesten behoorlijk ‘zware kost.’ Vaak
zo erg, dat de onderwijzer de waarde van het eindpunt toch maar wat naar boven
bijstelde. Anders zou zelfs de helft van de klas moeten blijven zitten. Je kunt
je natuurlijk afvragen, of de moeilijkheidsgraad van taal in die tijd niet te
hoog lag, voor leerlingen van de lagere school? Dat zou best wel eens kunnen.
Maar zoals gezegd, voor mij gold dat gelukkig niet. Zo had je er ook, die weer
een ‘kei’ waren in rekenen. Daar kon ik gelukkig ook goed in mee.
Je zou ook kunnen zeggen, dat iedereen wel een vak had waar hij goed of minder
goed in was.
Doch gebeurde het maar al
te vaak dat er leerlingen waren die bijna nergens goed in waren. Maar ja, wat
heet niet goed? Voor hun werd dan overwogen ze naar een andere school te
sturen. Echt scholen voor moeilijk lerende kinderen waren er toen eigenlijk
niet. Was je niet te handhaven op onze school, dan bleef er maar een ding over
en dat was de BLO. Deze afkorting stond voor: bijzonder lager onderwijs. Het
probleem met deze school was dat je velerlei verschillende soorten kinderen bij
elkaar had zitten. Er zaten zelfs, zoals ze dat nu noemen, verstandelijk
gehandicapten tussen. Dat dit later werd veranderd was natuurlijk een goede
zaak. Mijn oudste broer overkwam dat. Op een veel latere leeftijd werd bij hem
schizofrenie vastgesteld. Hij kon ook niet echt goed meekomen op school en
moest toen naar die BLO. Die waren toen gehuisvest in de Sint Janschool aan de Weerijssingel,
precies naast de kerk. Broeder Vitalis was daar toen een van de
onderwijskrachten. Toen de nieuwe Sint Janschool
gereed was, aan de Verbeetenstraat, is hij daar nog
naartoe gegaan. Hij heeft altijd ‘onder protest’ op die school
gezeten, want ik kan nog goed herinneren dat hij wel eens zei: “het zijn
alleen maar gekken die daar zitten.” Ja, hij kon niet goed meekomen op
school, dat was een feit, maar voor een BLO was hij zeker te goed. Hij heeft
uiteindelijk gewoon leren schrijven en rekenen en velen merkten weinig tot niets
aan hem. Hij was ook lid van het jongenskoor en toen hij een jaar of zestien
was is hij gewoon gaan werken en op zijn achttiende haalde hij ook in
één keer zijn rijbewijs. Doch, naarmate hij ouder werd, ging de
schizofrenie toch wel parten spelen.
In een van mijn vorige
verhalen heb ik ook de onderwijskrachten beschreven, alwaar ik bij in de klas
heb gezeten. Maar heb min of meer alleen iets verteld over hun
‘gedrag.’ Ze waren nou niet bepaald de gezelligste personen, maar
vele andere kinderen, waaronder ikzelf, ook niet altijd. Ik was nogal nerveus
van aard en kon heel moeilijk stilzitten. Maar dat is gelukkig allang over.
Andere vakken die werden gegeven waren nog onder andere: aardrijkskunde,
vaderlandse geschiedenis, tekenen, lezen, schrijven en godsdienst. Ook werd nog
bijgehouden wat je gedrag en vlijt was. Zelfs voor wellevendheid werden punten
gegeven. Aardrijkskunde vond ik persoonlijk een leuk vak. Vooral die grote
landkaarten die in de klas hingen spraken mij enorm aan. Ik kan nog heel goed
de landkaart van Noord-Brabant voor de geest halen, waar alle plaatsen in een
mooie rode kleur op stonden aangegeven. Ze hadden die zo opgehangen, dat ze
zowat de hele dag te aanschouwen waren. Zo raakte je automatisch vertrouwd met
deze kaart en leerde je heel snel waar alle plaatsen zo’n beetje in de
provincie waren gesitueerd. Ook werd geleerd welke industrieën bij de
diverse plaatsen behoorden. Dit moest je allemaal noteren in een speciaal
schrift en als je thuis een mooie afbeelding vond van een product, wat een van
deze fabrieken vervaardigde, dan mocht je dat plaatje mee naar school nemen en
bij het verhaal plaatsen. Meestal waren het natuurlijk gewoon zwart-wit
foto’s of plaatjes, maar dan maakte natuurlijk niet uit. Zo weet ik nog
goed dat de Langstraat stond voor onder andere de schoenindustrie. Dus ik in
allerlei blaadjes en kranten kijken of ik tekeningetjes of foto’s van
schoenen hierin zag staan. Deze knipte ik dan uit en nam deze mee naar school.
Kijk, dat waren de hele leuke dingen wat de aardrijkskunde betrof. Geschiedenis
vond ik persoonlijk wat minder leuk. Wat er vroeger gebeurde was best wel
interessant om te leren, maar je moest ook nog eens de jaartallen erbij leren.
Dat vond ik maar niks. Dan had je ook nog de godsdienstles. Die werd meestal
gegeven door de pastoor of kapelaan. In feite kan ik nog maar weinig herinneren
waar hij het over had. Alleen weet ik nog erg goed dat je meestal de opdracht
kreeg, een aantal artikelen uit die catechismus uit je hoofd te moeten leren.
Een week later moest je dan sommige van deze artikelen, feilloos opnoemen. Niet
echt mij lievelingsvak, zult u wel begrijpen! Maar van wie wel?
Hoewel handenarbeid geen
officieel vak was op school, werd het af en toe toch wel gegeven. Ik kan nog
heel goed herinneren dat we toch wel met enige regelmatig naar de zolder toe
gingen en dan mocht je met speciale klei alle vormen maken die je maar wenste.
Er waren later in mijn leven wel eens situaties dat ik kleilucht rook en moest
dan toch weer terugdenken aan die fijne uurtjes op de zolder van de
Lourdesschool. Ook voorlezen, door de onderwijzer of broeder, was geen
officieel vak. Maar dit werd vaak gedaan, als er nog wat tijd overbleef, zo aan
het eind van de ochtend of middag. Het waren vooral sprookjesverhalen die
werden voorgelezen en dan was het muisstil in de klas. Bijvoorbeeld Broeder Rumoldus was daar heel goed in. Ik kan nog vier boeken
herinneren waaruit werd voorgelezen. Dat waren “Wipneus en Pim,”
dan nog het zeer spannende boek, genaamd: “Ontvoerd,” het
“Bosmannetje” en “Monus, de man van
de maan.” Aan de andere kant van de speelplaats was een overdekte
fietsenstalling. Geen enkele onderwijzer had in die tijd een auto. Ze kwamen
allemaal op de fiets naar school toe en zetten deze fiets dan daarin. De
broeders van onze school woonden in die tijd in het gebouw van de kweekschool
aan het Dr. Jan Ingenhouszplein. Die gingen steeds te
voet van daaruit naar de Dr. Struyckenstraat en weer
terug. Dit deden ze ook tussen de middag. Vaak waren er kinderen die op deze
broeders wachtten en liepen dan met een grote groep samen met hun mee.
Nou nog even iets over de
zittenblijvers. We hadden in mijn tijd hele grote klassen, met af en toe wel
tussen de 40 en 50 leerlingen per klas. Elk jaar bleven er al gauw zo’n
10 stuks van zitten en die moesten dat jaar gewoon weer overdoen. Als ik naar
een volgende klas ging, kwam ik daar dan ook diverse zittenblijvers tegen. Deze
waren dan vaak 1 of 2 jaar ouder als ik. In de 4e klas, bij mijnheer Kerkhofs, maakte ik mee dat er een knaap in die klas kwam
te zitten, die al voor de derde keer was blijven zitten en inmiddels al 14 jaar
oud was. Ikzelf was toen 10 jaar. Dat zijn situaties die tegenwoordig zeker
niet meer zullen voorkomen. Enerzijds waren de onderwijskrachten best wel
streng, maar anderzijds was het onderlinge contact ook wel goed te noemen. Zo
kan ik nog goed herinneren, dat wanneer het had gesneeuwd en we een glijbaan
had geformeerd op de speelplaats, dat dan ook de onderwijzers en broeders
‘meegleden’ en hadden we vaak samen de
grootste lol. Ook met sneeuwballen gooien waren ze vaak van de partij. Zo kon
het dus ook wel gaan. Ook met de schoolreisjes zongen ze net zo hard mee als
het maar kon in die bus. Na deze, toch wel fijne jaren, ging ik naar de
Ambachtsschool op het van Coothplein en daar ging het
er heel anders aan toe.
Kees
Wittenbols.
(27) Communicatie en telefoneren in
de vijftiger en zestiger jaren.
“Hi, mam, alles
goed? Is er nog iemand geweest of is er belangrijke post?” Dat was zo ongeveer
de meest voorkomende begroeting als ik thuiskwam na een dag school of werk. Met
mijn vader ging het idem zo. Ik hoor ‘t ‘m nóg zeggen:
“Goeie” het woordje ‘avond’ kon er niet af en als hij
al iets van berichten verwachtte keek hij op een vaste plek bij de schoorsteen,
of er iets van zijn gading bijzat van post of iets dergelijks. De echte
belangstelling ging meer uit naar koffie dan naar ‘brieven.’ In
wezen was het bij mij van hetzelfde laken en pak. Zeker als jonger kind had je
amper post te verwachten, later werd dát wel anders! Telefoon hadden we
niet. Pas rond ongeveer 1958-1959 kregen we een telefoonaansluiting. En dat nog
omdat de werkgever van mijn vader dat eiste. In die tijd zat er aanzienlijk
veel tijd tussen de telefoonaanvrage en het daadwerkelijk aanleggen van
telefoon. Soms waren er wel wachttijden van vier tot zes maanden. Het was ook
een heel gebeuren, er moest gegraven worden om de kabels, de leidingen vanaf de
straat naar het aan te sluiten huis te trekken. Dit in tegenstelling tot vandaag
de dag, waarin zo goed als elk huis en elke wooneenheid standaard is uitgerust
met allerlei aansluitingen en ook die voor telefoon.
Tot het moment dat we zelf
telefoon kregen werden de spaarzame gesprekken die er gevoerd moesten worden,
dan ook meestal verdeeld tussen de telefooncel of bij bevriende buren. Dat lag
natuurlijk aan de aard van de gesprekken en het tijdstip waarop. Onze buurt was
mijns inziens zeer schaars voorzien met openbare telefooncellen. Wij waren
aangewezen op de telefooncel welke stond tegenover de Sint Annaschool en de
boekwinkel van Benoist aan de hoek Haagweg/Dijklaan. Bellen kostte in die tijd standaard
één dubbeltje. Althans voor een regionaal gesprek. En dat gesprek
kon naar mijn weten zéér lang duren. Ik herinner me nog dat het
apparaat ook enkel en alleen maar dubbeltjes accepteerde. Pas jaren later kwam
er een telefoontoestel wat ook kwartjes en guldens accepteerde. Ik weet nog van
een keer dat mijn moeder een telefoongesprek moést voeren met een of
andere dokter en dit niet wilde doen bij de buren. Er zat dus niets anders op
dan naar de Haagweg te lopen. Ik mocht of moest mee,
dat ben ik kwijt. Daar aangekomen bleek een vrouw reeds in de telefooncel te
staan en dan was het wachten geblazen. Meestal geen probleem. Maar zoals
gezegd: een lokaal of zeer regionaal gesprek kon voor dat ene dubbeltje kort of
lang zijn. Een tijdslimiet gold er mijns inziens toen niet. Ik herinner me nog
goed dat het gesprek van deze vrouw eindeloos duurde en mijn moeder ging
langzaam van het ene been op het andere been staan. Al spoedig bleek dat zij
vreselijk moest plassen. Nu was zij niet erg op haar mondje gevallen, dus had
ze al de dame in de cel gevraagd of er nog wel een einde aan haar gesprek zou
komen voor de zon onder zou gaan.
Maar tegen het verbale
geweld wat deze vrouw - die zeker geen dame was - toen bezigde, daar was ook
mijn moeder niet tegen opgewassen. Mijn advies om naar het tegenoverliggende
café van Moeke Mols te gaan en daar te bellen werd in arren moede
opgevolgd. Dit kostte natuurlijk minimaal een kop koffie en voor mij een flesje
limonade. Maar moeder kon bellen en bovenal: zij kon gaan plassen. Na het
bellen en plassen, toen we Moeke Mols verlieten, stond dat inmiddels tot
‘wijf’ gedegradeerde vrouwspersoon nóg in de telefooncel te
kwaken tot grote ergernis van mijn moeder. Veel andere opties waren er niet in
onze buurt, als je tenminste enige privacy wilde hebben met je telefoongesprek.
Een andere telefooncel stond op het Dr. Struyckenplein,
maar dat was van ons uit weer iets verder loper en verder waren er geen te
vinden! Althans niet in de buurt. In de jaren zestig nam het telefoonbezit
echter een grote vlucht en binnen een jaar of tien had bijna iedereen wel een
telefoonaansluiting. Opmerkelijk was juist voor die tijd dat vele
privé-aansluitingen geplaatst werden in de gang en niet in de woonkamer.
Zo herinner ik me van vrij veel mensen die wel telefoon hadden, dat je dan
altijd in de gang moest bellen en dan uiteraard ook staande. Wat kleur betreft
had de toenmalige PTT, die de alleenheerschappij had over de telefonie, weinig
fantasie. Voor huiselijk gebruik waren er twee standaardmodellen. Een hangend
exemplaar of een staand toestel, maar alleen leverbaar in de toen modieuze
kleur: zwart. Pas veel en veel later ging men bij de PTT het licht zien en
kwamen er de eerste witte of crèmekleurige toestellen. Na deze doorbraak
gingen de ambtenaren helemaal overstag en werden zelfs frivool en werden ook de
gekleurde toestellen in het assortiment opgenomen. Dat deze fratsenmakerij voor
velen mensen, zoals mijn vader, overbodige nieuwlichterij was dat laat zich
gemakkelijk raden.
Gelukkig vond mijn moeder
een telefoon in de ‘koude’ gang maar al te bar. Het gemak diende de
mens pleegde ze te stellen en zo kwam onze eerste telefoon in de huiskamer en
dus (gelukkig) niet op de gang. Ja ja. Dat dacht ik toén! Al spoedig
kwam ik ook regelmatig in de verleiding om van de telefoon gebruik te maken en
dan was het dikwijls toch niet al te prettig dat het gesprek in de huiskamer gevoerd
moest worden, zeker niet als mijn vader daar ook nog eens bij aanwezig was. Dus
toog je als tiener toch maar naar die cel op de Haagweg
die je tenminste nog enige privacy bood. Qua gesprekskosten is er met vroeger
wel heel veel veranderd. En dit moet eerlijk gezegd worden, niet allemaal ten
kwade! Was toen een lokaal/regionaal gesprek slechts één
‘duppie’ in de cel en voor de abonnee maar vier (oude) centen,
echter een gesprek naar het buitenland was in die tijd schier onbetaalbaar.
Niet dat wij zo vaak naar het buitenland belde, hooguit belde mijn vader wel
eens naar Antwerpen, maar eind jaren zestig toen ik naar het buitenland ging en
soms nog ver weg ook, werd het overduidelijk hoeveel een kort gesprek in die
tijd wel niet kostte. Drie minuten bellen naar bijvoorbeeld New York - waar ik
veel verbleef - kostte mijn ouders ongeveer een tientje. Tien harde guldens van
de jaren ’68-’69! Nou, ik was maar wat verrast als aan de andere
kant van de oceaan de telefoon ging en het bleken mijn ouders te zijn. Dan was er
écht iets aan de hand. Mijn vader voorstellende: die tien gulden uit zou
moeten geven, wat je zijns inziens ook af kon doen met een postzegel van een
paar dubbeltjes? Dat was natuurlijk echt van den zotte. Gelukkig was mijn
moeder uit ander hout gesneden. Ook voor mij aan de andere kant van die plas
was een telefoontje naar Breda een flinke aanslag op de doorgaans magere
portemonnee. Ook daar gold een tarief van maar liefst 3,5 dollar voor de eerste
drie minuten. Wel dollars toen nog, van Fl. 3,62! Tel uit je winst. Doch, die
telefoongesprekken gingen dan ook via de zware transatlantische
kabel, die op de zeebodem lag en nu gaat het van flits, flits, van de ene
satelliet naar de andere. Anno 2008 kun je naar Amerika bellen voor amper twee
tot maximaal drie eurocenten per minuut. Je mag zodoende gerust stellen dat het
bellen naar het buitenland stukken en stukken goedkoper is geworden door de
jaren heen.
Natuurlijk waren de jaren
50 en 60 geheel vrij van mobiele telefoons, computers en andere moderne communicatiesnufjes.
Ook het journaal op televisie was beperkt. Acht uur ’s avonds was
dé nieuwsuitzending en niks geen extra journaals om het kwartier en op
16 zenders of kanalen. Ook via de radio was het aanbod beperkt. ’s Avonds
om zes uur was er een nieuwsbulletin en ’s nachts om twaalf uur. Hierna
speelde de radio het Wilhelmus en het volk werd geacht te gaan rusten!
Terugkomende op de telefoon, die werd gebruikt voor boodschappen, afspraken te
maken of af en toe verre vrienden of familie een groet over te brengen. Lange
gesprekken die over ‘niks’ gingen waren er bijna niet bij, althans
niet bij de gewone man, want dat was toch te duur dacht men. Wij hadden best
een sociaal en druk leven. Mijn ouders hadden ook enkele kostgangers die dus
ook wel eens belden, maar als de telefoon twee tot drie keer per dag overging
was het veel. En wij gebruikten dat ding wellicht nog minder om zelf naar
‘buiten’ te bellen. Vergelijk dát eens met het gemiddelde
telefoongebruik van vandaag de dag en dat dan ook nog eens in het licht gezien
van het feit, dat elk lid van een gezin tegenwoordig uitgerust is met een
mobieltje. Officieel heet dat dan dat we met zijn allen veel communicatiever
geworden zijn! Daarop stel ik de vraag: “is dat werkelijk zo?” Ik
denk dat we veel meer kletsen, maar veel minder echt praten dan dat we deden in
de jaren van weleer. Twijfelt u daaraan? Lees de SMS-jes
van uw kinderen dan maar eens!
Silvia
Videler.
(28) De Bieb.
Ofwel de bibliotheek.
Onze goede oude stad was
in de jaren na de oorlog voorzien van een tweetal redelijk grote en goed
voorziene bibliotheken. Zoals haast alles in die dagen was ook het
bibliotheekwezen sterk confessioneel georiënteerd. Een lelijk en moeilijk
woord om aan te geven dat de confessie, dus de kerkelijke achtergrond, wel
degelijk een (grote) rol speelde. Twee grote bibliotheken kende onze stad, een
in de Catharinastraat en een aan het van Coothplein.
Als kind was ik al hevig geïnteresseerd in diverse zaken en de bibliotheek
speelde dan ook een belangrijke rol in mijn leven. Wel gaf dat thuis de nodige
problemen, niet dat mijn ouders erop tegen waren dat ik graag met mijn
(eigen)-wijze neus in de boeken wilde snuffelen, maar het moest natuurlijk wel
zó zijn, dat hetgeen ik las, de goedkeuring van de kerk kon wegdragen.
Dus:… een lidmaatschap van de ‘bieb’ kon ik krijgen,
maar… alleen van de RK- Bibliotheek. Aanvankelijk kon ik daar wel mee
leven. Er was tenslotte genoeg om te lezen, maar al gauw en dat zal zo ongeveer
rond mijn twaalfde, dertiende zijn geweest, kreeg ik zo links en rechts wel wat
bedenkingen. Ik wilde dan ook graag kennisnemen van een andere mening of visie
betreffende een heleboel zaken en aspecten. Want ik las natuurlijk niet alleen
de boeken van Arendsoog of van Dik Trom. Die keuzevrijheid kreeg ik pas toen ik
mijn beruchte krantenwijk eenmaal had en dus genoeg pecunia tot mijn
beschikking kreeg om zelfstandig een lidmaatschap te nemen op die andere
bibliotheek. De ‘algemene’ in de Catharinastraat.

Pand
bibliotheek aan het van Coothplein
(hier
in de steigers)
Dat was een niet-confessionele
bieb en geloof me, het verschil was toen nog aanzienlijk. Al gauw ontdekte ik
er boeken die op de zogenaamde kerkelijke index stonden. Verboden leesvoer dus
voor rooms-katholieken. En een eigenwijsje zoals ik was dus uitermate nieuwsgierig
naar wat die boeken dan wel inhielden. Zo las ik al op mijn pakweg veertiende,
vijftiende, de boeken van Emile Zola en Voltaire en dergelijke. Niet dat ik ze
nou zó spannend vond, maar ze waren verboden voor katholieken en dat was
nu juist voor mij genoeg reden om dat spul dan maar eens nader te onderzoeken.
Ach, mijn arme vader heeft er geen grijze haren van gekregen, zelfs dat was hem
niet vergund, hij werd gewoon vroegtijdig kaal. Pas later toen de kerkelijke
macht aardig was ingekrompen zijn de bibliotheken gefuseerd en dat gebeurde
zelfs landelijk, zodat heden in principe elk boek geleend of bekeken kan worden
in de plaatselijke bibliotheek, dan wel aangevraagd kan worden. Elk boek wat in
Nederland verschijnt daarvan dient de uitgever, dan wel de schrijver, twee
exemplaren op te sturen naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Helaas is
dit een traditie wat de uitgevers of de schrijvers alleen maar geld kost, want
men krijgt hiervoor geen enkele vergoeding. Zelfs de portokosten worden niet
vergoed. Dan misschien een bedankbriefje zult u wellicht opperen? Nou nee,
zelfs dát kan er niet van af. Een aantal jaren geleden heb ik zelf eens
een boek geschreven en via ons eigen bedrijf uitgegeven en heb braaf voldaan
aan die ‘plicht’ enkele exemplaren naar de Koninklijke te sturen.
Dus ik kan het weten. Jammer, deze manier van doen! Zodoende kan het nationale
bibliotheekwezen dan ook zonder veel geld uitgeven pochen dat zij zo goed als
alles wat in Nederland wordt uitgegeven, commercieel of niet, in haar bezit
heeft. Langs de andere kant bekeken natuurlijk een prachtig iets voor het
zogenaamde culturele nationale erfgoed.
Een heel ander aspect wat
je ook onder het begrip ‘bibliotheken’ mag rekenen waren de vele
kleine winkeltjes in veel plaatsen die commercieel boeken uitleenden. In Breda
kende ik er zo een paar. Daar was bijvoorbeeld een bedrijfje aan de Haagdijk,
vanuit de Nieuwe Haagdijk zo ongeveer halverwege aan de linkerkant. De naam van
dit bedrijfje ben ik helaas vergeten. Maar het zat zo ongeveer tegenover de
Korte Gampelstraat en vlak bij kapper van Gool. De
soort boeken wat je daar kon lenen waren voornamelijk erotisch getinte pockets,
die zodoende vele en vele malen hun geld opleverden. Maar ook spannende
detectives en dergelijke. Het was kwartjeshandel, maar ook toen en misschien
wel juist toen, maakte vele kwartjes toch aardig wat guldens. Ook op de
Tramsingel, tussen het hoofdkantoor van de BBA aan de hoek van de Haagweg en de Beekstraat was een klein boekwinkeltje annex
bibliotheek gevestigd. Deze commerciële bibliotheek had al helemaal niets
van doen met een librije (een klooster of kerkbibliotheek). De lectuur aldaar
was ronduit ranzig en ik heb menig jongeman vaak zien gluren, eerst eens even
naar links en dan naar rechts of de kust wel veilig was, alvorens zich als
‘geacht’ lid van het cliënteel en met rode koontjes naar
binnen te begeven. Voor zoiets dergelijks is heden ten dage natuurlijk weinig
of geen emplooi meer te vinden. Wat men toen ranzig noemde staat nu breed uitgemeten
in zogenaamde gezinsbladen of in bladen bij de kapper. Maar die leest u
natuurlijk niet?
Met de komst van het
Internet dacht men aanvankelijk dat de interesse voor het gedrukte woord zou
afnemen en dat zowel bibliotheken als gewone boekhandels veel aan populariteit
zouden moeten gaan inboeten. Nu, na al vele jaren dat het internet gemeengoed
is geworden en steeds populairder wordt, kan men toch wel stellen dat we daar
geen angst meer voor hoeven te hebben. Het aantal boekwinkels, zeker in Breda,
is flink toegenomen en ook het aantal uitgaven van boeken neemt nog steeds toe.
Het is dan ook geen plezierige bezigheid om een heel boek via het scherm op de
PC te lezen. Dan is het toch prettiger in een gemakkelijke stoel te zitten of
te hangen en zodoende van meer comfort te genieten dan voor een vierkant scherm
te zitten en dito oogjes te krijgen. Nog even terugkomende op het verschijnsel
bibliotheek. Het zijn niet alleen de boeken die men er kan lenen, zo mogelijk
nóg interessanter is de openbare leeszaal, waar alle mogelijke
naslagwerken op eveneens alle mogelijk gebied vrij ter inzage zijn. Dit naast
de vele kranten, tijdschriften en soms de meest vreemde en interessante
periodieken. Dat was overigens ook de plaats waar ik vroeger rustig een boek
ging lezen als ik zelf al aanvoelde dat ik het betreffende boek maar beter niet
mee naar huis kon nemen. Ik wilde die goeie man, mijn vader, tenslotte niet
helemaal zover krijgen dat hij die paar haren die er nog over waren, ter plekke
alsnog zou uittrekken van pure frustratie. Al met al ben ik blij dat er
bibliotheken waren én dat ze er nog steeds zijn!
Silvia
Videler.
(29) Een markant gebouw in Breda: de
Eurotoren.

De Eurotoren
Onder de Eurotoren:
Bij grondwerkzaamheden
voor de bouw van de Eurotoren hebben archeologen van het Breda’s
Museum destijds de resten blootgelegd van een boerderij uit de
Midden-Bronstijd. Die periode loopt van 1500 tot 1100 voor Christus, waardoor
de boerderij meteen tot het oudst bekende gebouw van de stad kon worden
aangemerkt. Er wordt reeds enkele jaren gegraven op Steenakker en de
archeologen vallen steeds weer van de ene verbazing in de andere. Waar niemand
iets verwacht had te vinden, zijn sporen teruggevonden die dateren uit de late
steentijd: 2500 voor Christus. Op de zogenaamde ‘rug van Kesteren,’
op de plek waar nu de Eurotoren staat, stuitten de archeologen dus op de resten
van deze boerderij, waarvan woon- en stalgedeelte zich onder een dak bevonden.
Het bleek dat het om het oudste pand ging in de gehele geschiedenis van Breda.
Het pand was 29 meter lang. Daaromheen stonden kleine bijgebouwen op een groot
boerenerf. Zoveel mogelijk zullen de archeologen nu nog blijven graven op en
rond de ‘rug van Kesteren.’
Het gebouw:
De Eurotoren is ontworpen
vanuit een eigentijdse visie op ondernemen. De architect heeft ernaar gestreefd
door kleur, vorm, materiaal en ruimtelijke indeling een ‘warm’
gebouw te ontwerpen. De Eurotoren biedt daarom ook de medewerkers en ondernemers
de rust en ruimte, voor het leveren van prestaties en het leggen van een
persoonlijk accent in de contacten met zakelijke relaties. Alle verdiepingen
hebben individueel bestuurbare klimaatbeheersingssystemen. Zowel voor
verwarming als voor ventilatie en koeling. De installaties functioneren
onafhankelijk van de ruimte-indeling. Hierdoor vormen elementen als verwarming,
luchttoevoer en verlichtingsindeling nooit een obstakel voor de herindeling van
de werkruimten. De Eurotoren heeft 18 bouwlagen en is 72 meter hoog. De
gemiddelde vloeroppervlakte is 600 m2.
Gunstige ligging:
De Eurotoren is gelegen in
Kantorenpark Westerhage in Breda-West. Dit
kantorenpark ligt in de ‘oksel’ van de A16 en de stedelijke hoofd-as Lunetstraat. Prima bereikbaar dus. Het gebied
langs de snelweg van Rotterdam naar Antwerpen en langs het tracé van de
HSL nadert zijn voltooiing. Breda wordt omringd door een internationaal
wegennet. De stad ligt tussen de Randstad en de driehoek:
Antwerpen-Gent-Brussel. Midden in de Rijn-Schelde-delta. Ook ligt Breda gunstig
ten opzichte van het Duitse Ruhrgebied. Breda wordt nationaal en internationaal
beschouwd als een strategische vestigingsplaats.
Kees
Wittenbols.
(30) Dankzij het Heuvelkwartier werd
Breda een echte stad.
Althans, mijns inziens.

Dr.
Struyckenplein
In
die spannende jaren na de oorlog en in het bijzonder gedurende de vijftiger
jaren van de vorige eeuw, werd ook Breda meegezogen in de vaart der volkeren.
Was er in de oorlogsjaren al een gemeentelijke annexatie geweest, door onder
andere Princenhage en het Ginneken bij de stad te
betrekken, maar pas door middel van grootschalige stadsuitbreidingen, werd
Breda echt een grote stad. Het Heuvelkwartier was de eerste échte grote
uitbreiding van Breda. Het vroegere Princenhage had
dan wel enkele uitlopers zoals menig dorp in die jaren en soms zie je dit soort
randbebouwing nóg in veel kleinere plaatsen. Bij ons moeten we dan
denken aan de Mastbosstraat, de Heuvelstraat, de Haagweg
en de Oranjeboomstraat.

Bouw
van etagewoningen in 1949
In
relatief korte tijd werd het huidige Heuvelkwartier ‘uit de grond
gestampt’ en wel zo snel dat er geen tijd meer overbleef om de
buitenmuren van elke flat te voegen. Zie bijvoorbeeld de flats aan de Roggeveenstraat,
de Hudsonstraat en dergelijke. Wij gingen als jeugd dikwijls op
‘rooftocht’ in het in aanbouw zijnde Heuvelkwartier om bijvoorbeeld
plastic buizen te ‘scoren,’ want daar kon je zo heerlijk pijltjes
mee schieten, dan verbaasde het ons soms hoe snel een bepaald project al weer
klaar was, of zo vergevorderd dat er van plastic buizen jatten alweer niks
terecht kwam en we weer verderop moesten gaan ‘struinen’ om onze
voorraad ‘wapens’ op peil te houden. Zo werd dankzij het Heuvelkwartier:
Princenhage en Breda ‘n aaneengesloten
bebouwing. Pas later volgden de andere wijken zoals de uitbreiding bij Tuinzigt, het Brabantpark, het Boeimeer, het Doornbos, de
Hoge Vucht enzovoorts. Voor zeer veel mensen was het Heuvelkwartier dan ook een
welkome verademing, na jaren van zichzelf te behelpen, op soms een enkel
kamertje of bovenwoninkje en voor vele gezinnen
dé oplossing van hun woningnood na jaren van bivakkeren bij ouders, of
in de een van de vele noodwoninkjes die Breda toen nog kende en ik weet niet in
wat voor soms moeilijke en minder fraaie omstandigheden men moest leven.
Natuurlijk
is het Heuvelkwartier gedateerd qua architectuur, maar toch zeer ruim van
opzet, ook voor de begrippen van nu! In menige nieuwe fenixwijk
kun je amper je ‘kont keren,’ zeker met een auto en waar vind je
open speelstukken zoals op de Heuvelbrink, het Thorbeckeplein en Planciusplein? Met weemoed denk ik terug aan de prettige
jaren dat ik als bewoonster van de Oranjeboomstraat ontelbare uurtjes heb
‘rondgescharreld’ in de Heuvel, zoals wij het pleegden te noemen.
Vele vrienden en kennissen van ons waren daarheen verhuisd en waren trots op
hun nieuwe woning. Ook de voorzieningen lieten niet lang op zich wachten en een
keur van winkels op zowel het Mgr. Nolensplein als
aan de Dr. Struyckenstraat en op het Plein sierden de
wijk.

Bejaardencomplex
“Maria Mediatrix” in 1953
Kent
u nog het winkelfiliaal van Piet de Gruyter op het Dr. Struyckenplein
aan de kant van het Planciusplein en de Edah bij de
ingang van de Laan van Mertersem, hoek Jan
Ligthartstraat? Met name die winkelvoorziening is de laatste jaren hard
achteruit gelopen. Ik hoop dan ook van ganser harte dat met name het Dr. Struyckenplein wat dat betreft nieuw leven zal worden
ingeblazen.

Zicht
in de Hudsonstraat
Elke
keer als ik Breda bezoek en dat doe ik de laatste jaren steeds meer en meer,
sla ik het Heuvelkwartier nimmer over. Er liggen teveel herinneringen om zomaar
aan voorbij te gaan. Goede, hele goede en een enkele minder goede, maar die
vergeten we maar liever.
Silvia Videler.
(31) En… stinken dat het deed!
Kent u ze nog? De
pisbakken, ook in onze wijk? Ze stonken een ‘uur in de wind’ zegt
men wel eens en ze werden druk, zeer druk bezocht. De twee pisbakken die ik mij
het beste herinner, zijn die aan de Dr. Struyckenstraat
tegenover de voormalige garage van Mion en op de
(bijna) hoek van de Oranjeboomstraat. Vooral op zondagmorgen was dit een veel
bezochte stopplaats van heren, die net uit de kerk waren gekomen. Of die
aandrang nou kwam door de preek of van de vele ochtendkoffie is mij helaas
onbekend. Ik heb geen flauw benul of die mannen vroeger veel meer
prostaatproblemen hadden, dan heden ten dage het geval is. Maar wat als een
paal boven water staat, was het feit dat men soms wachtende mannen zag staan om
te mogen plassen. Ik herinner mij dat zeker na de hoogmis van 10.00 uur die om
pakweg 11.15 uur was afgelopen, het soms een ware race was naar de pisbak,
zoals een dergelijk ding werd genoemd. Met de beste wil van de wereld kan ik
mij ook niet herinneren dat met name de Rooms-katholieke kerken
toiletvoorzieningen hadden voor de ‘beminde gelovigen,’ dit in
tegenstelling tot de meeste protestants-christelijke kerkgebouwen, waar wel een
dergelijke voorziening was en is.
Een heel kwalijke
herinnering heb ik nog aan het feit wat ik met eigen ogen heb zien gebeuren.
Een jongen, wiens naam ik niet meer weet, werd geslagen en geschopt en door een
stel knapen in het smerigste deel van die pisbak werd gegooid. Met afschuw heb
ik dat tafereeltje van een veilige afstand bekeken en de smoelen van de daders
staan nog voor immer in mijn geheugen gegrift. Die daders waren geen kwajongens
van het Westeinde of de Vestkant! Neen, dat waren ‘zeer nette
jongens’ van wie de ouders bij confrontatie gezegd zouden hebben:
“zoiets doet mijn zoontje niet.” Mooi wel dus! Dat waren dus echt
viezeriken! Ook vlakbij die andere kerk, de Sint Annakerk, maar dan aan de Weerijssingel pal naast het elektriciteitshuisje van de
PNEM, stond een dergelijk urinoir zoals de officiële betiteling was. Voor
ons kinderen was het gewoon de pisbak. Niks meer en niks minder. Om de een of
andere reden werd deze eveneens tweepersoons pisbak ook gebruikt, door mensen
die af en toe eens ’n grotere boodschap moesten doen. Met een groep
kinderen ben ik er wel eens wezen kijken en zag toen een wel zo’n grote
hoop liggen met zoveel dikke vette vieze vliegen erop, dat had ik nog nooit
gezien. U kent ze vast wel, van die vette dikke groene glinsterende vliegen.

Wat ik totaal niet begreep
was hoe die mensen dat klaarspeelden. Er zaten tenslotte geen deuren aan een
dergelijke pisbak en toiletpapier was al helemaal niet voorhanden. Papieren zakdoekjes
bestonden misschien wel, maar niets in de pisbak wees erop dat die dingen
überhaupt gebruikt waren. Of de nood moest heel erg hoog geweest zijn, of
het beschavingsniveau van de gebruiker moet heel erg laag geweest zijn. Een
ding stond voor mij vast. De pisbak van de Weerijssingel
stonk erger dan die van de Dr. Struyckenstraat.
Achteraf is dat ook wel te verklaren. Ter hoogte van de Haagweg/Nieuwe
Haagdijk, hoek Weerijssingel waren veel meer eet- en
snackgelegenheden en kroegen dan op de hoek van de Oranjeboomstraat en Dr. Struyckenstraat. Maar ook deze pisbak werd op zondagen meer
gefrequenteerd dan op andere dagen. Dit dan weer na de zondagse diensten in de
Sint Annakerk. Het leek wel of er bij haast elke kerk in Breda van die jaren
vijftig een pisbak stond. Aan de Schorsmolenstraat stond er een en ook daar was
een kerk, de Paterskerk en ook die had geen retiradefaciliteiten. Maar gaat u
maar na, op het Mgr. Nolensplein in het
Heuvelkwartier, eveneens vlakbij de kerk, daar stond ook zo’n ding.
Vlak bij de winkel die
bekend staat als de Trapkes, als je vanaf de Haagdijk
naar de Tolbrugstraat liep, ook daar was zo’n vieze pisbak te vinden en
lang dáárvoor stond aan de Prinsenkade… juist de
Barbarakerk, de toenmalige kathedraal van Breda. Terugkijkend op dit fenomeen
zou ik haast geneigd zijn te stellen, dat de pastoors een gouden kans hebben
laten liggen. Waarom niet op elk toenmalig parochie en/of kerkplein een pisbak
geplaatst, met een centenbakje erbij. Natuurlijk een brave goede ziel ernaast
die toezicht hield, op de centen natuurlijk en de pastoor had weer een goede
sigaar extra kunnen opsteken. Zo zie je maar dat die theologische opleiding van
mij toch niet helemaal voor niets is geweest!
Silvia
Videler.
(32) De hoorspelen in de jaren
vijftig.
Velen zullen zich beslist
nog wel de hoorspelen kunnen herinneren, zoals ze in de jaren vijftig
veelvuldig op de radio te horen waren.
De meest bekende waren
volgens mij toen:
“Koek en Ei,”
“Familie Doorsnee,”
“Paul Vlaanderen,”
“Sprong in het Heelal”
en “Dood in de Jungle.”
Voor zover ik me nog kan
herinneren was het hoorspel: “Dood in de Jungle” het allereerste
hoorspel wat toen werd uitgezonden. Daar kan ik toch nog wel het een en ander
van herinneren. Het ging over een passagiersvliegtuig dat neerstortte in de
jungle van Brazilië. Er waren zo’n 20-tal overlevenden en die
moesten toen op een of andere manier zien te overleven in dit oerwoud. Het werd
zeer natuurgetrouw gespeeld en wel zo, of je er zelf bij betrokken was. Ik kan
zelfs nog de naam van ene “Becker” herinneren. Dat was een figuur
die alle aandacht voor zich opeiste en daardoor min of meer ook een hoofdrol
vervulde, in deze zeer aangrijpende en spannende serie. Deze serie speelde zich
in de beginjaren vijftig af, toen er nog geen televisie was. Een maal per week
werd dit op een avond uitgezonden en duurde ongeveer een half uur per
aflevering. Ik weet nog goed dat mijn vader en moeder, samen met nog drie
oudere broers en uiteraard ikzelf toen aan de radio zaten
‘gekluisterd.’ Het was vaak zo spannend dat we na afloop eerst wat
gingen ontspannen, door naar wat muziek te luisteren en een
gezelschapsspelletje deden, om te voorkomen dat we er anders er misschien ervan
zouden dromen, in de komende nacht.
Joop
Doderer
Dan had je ook nog de
afleveringen van “Sprong in het Heelal.” Een serie die zich
voornamelijk in een ruimteschip afspeelde en waarbij de bemanning vaak stuitte
op vreemde andere ruimteschepen, die door het heelal heenvlogen en waarvan het
vermoeden bestond dat dit wezens waren van andere planeten. Het kwam wel eens
tot confrontaties met deze lieden. Tijdens deze afleveringen hadden ze ook heel
veel, zeg maar, ‘ruimtelijke’ geluiden op de achtergrond erbij
gemaakt. Ook hier deed het vermoeden alsof je er zelf bij was betrokken. Ik weet
ook nog dat er vervolgafleveringen zijn geweest, in verband met het grote
succes van deze reeks. Iedereen, maar dan ook iedereen volgde deze serie op de
radio en het was dan meestal het gesprek van de dag, juist op die volgende dag.
Zowel “Dood in de Jungle” als “Sprong in het Heelal”
waren de hoorspelen die het best bij mij in het geheugen zijn blijven
‘hangen.’ De latere hoorspelen hadden toch al wat meer van
concurrentie te duchten van de televisie. Doordat deze na, of mogelijk toch wel
ongeveer tegelijkertijd, met de eerder voornoemde hoorspelen werden
uitgezonden. Een precies jaartal kan ik hier niet bij vernoemen. Maar ik weet
uiteraard nog wel goed dat deze afleveringen enorm populair waren. Als ik me
niet vergis was “Paul Vlaanderen” een detectiveserie.
Rijk
de Gooijer
De “Familie
Doorsnee” waren verwikkelingen in een huisgezin, die een beetje
vergelijkbaar was met de later op de Belgische televisie uitgebrachte serie van
“Schipper naast Mathilde.” Van “Koek en Ei” weet ik
alleen nog maar dat Joop Doderer hier een hoofdrol in
vertolkte. Ook Rijk de Gooijer heeft in een van de
hoorspelen nog een rol gehad. Het zou kunnen zijn in de “Familie
Doorsnee.” De juiste serie is me ontschoten. Want ik kan nog goed
herinneren dat hij toen “Bartels” hierin heette en veelvuldig zei,
als hij weer eens kwam opdraven, zich steeds voorstelde met de woorden: “Goeidag, Bartels.” Ja, dat waren toch wel mooie
tijden. Ook tijdens de komst van de televisie werden er nog hoorspelen gegeven,
maar langzaam en zeker verloren ze toch terrein en is men er uiteindelijk, op een
enkele na, toch mee opgehouden.
Kees
Wittenbols.
(33) Sinds mensenheugenis is er op
zaterdagmiddag markt aan de Nieuwe Haagdijk.
En laat dat vooral zo blijven!
Naast de wekelijkse
warenmarkten in de stad (op de Grote Markt) elke dinsdag en vrijdag van
’s morgens 9.00 uur tot 13.00 uur, kent Breda nog een aantal kleinere
warenmarkten. Bijvoorbeeld op zaterdagmorgen in de Vijverstraat van 9.00 uur
tot 13.00 uur. Plus een tweetal bij respectievelijk winkelcentrum het
Heksenwiel en bij winkelcentrum Moerwijk en dat op weer woensdag en
donderdagochtend van 9.00 uur tot 12.30 uur. Daarnaast natuurlijk zijn er de
wekelijkse, veelal wat kleine warenmarkten in de geannexeerde dorpen zoals
Ulvenhout, Bavel, Prinsenbeek en Teteringen. De echt andere grote warenmarkt is
wel die aloude markt aan de Haagweg en de Nieuwe
Haagdijk. Al tien- en tientallen jaren is daar elke zaterdag markt van 13.00
uur tot ongeveer 17.00 uur. Dit is naast de markt in de binnenstad wel de
allergrootste en mijns inziens ook de allergezelligste,
niet in het minst mede door de vele winkels die zowel op de Haagweg
te vinden zijn als op de Nieuwe Haagdijk.
Hoe komt ‘t nou
vraag je je wel eens af dat een markt al of niet gezellig is? Ligt dat aan het
aanbod van waren? Ligt het aan de prijzen? Ligt het aan de variëteit van
kooplieden, dus aan de marktlui? Of ligt het aan het feit dat deze markt juist
op de vrije zaterdagmiddag wordt gehouden? Of door het, qua markten bezien,
haast een totaalaanbod? Of is het juist dat deze markt die wordt gehouden in
een duidelijk al wat oudere wijk, wat zodoende meer vaste gewoonte bezoekers
trekt die elkaar een beetje beter kennen, simpelweg omdat mensen daar hun hele
dan wel halve leven al woonachtig zijn? Persoonlijk denk ik dat het een
combinatie is van al deze factoren en zo kun je nóg wel enkele facetten
benoemen, die deze markt min of meer uniek maakt. Ik ken zelf diverse markten
die na verloop van tijd bij gebrek aan belangstelling een steeds meer kwijnend
bestaan gingen lijden en tenslotte zelfs helemaal opgeheven werden. Dit op zich
trieste verschijnsel zie ik vooralsnog niet plaatsvinden op de zaterdagse markt
van de Haagweg/Nieuwe Haagdijk. Plus voeg daarbij dat
deze twee straten een flink aanbod hebben aan horeca, zowel droge als natte
horeca, zoals dat tegenwoordig aangeduid wordt.
Deze mix van markt,
winkels, horeca, oudere wijken én liggende op de grens van minimaal vier
stadswijken én al het bovenstaande, maakt dat een middagje snuffelen op
de markt aan de Haagweg/Nieuwe Haagdijk soms meer weg
heeft van een leuk uitje, dan de verplichte en vaak zware gang van ‘het
boodschappen doen.’ Die markt nodigt veel meer uit tot een praatje met
wie je zoal tegenkomt, een grapje met of tegen een marktkoopman maak je
makkelijker, dan met de dikwijls onpersoonlijke bediening van het steeds wisselend
personeel in de toch al onpersoonlijke supermarkten. En wat bij een groot
aantal mensen toch ook nog steeds een aspect is, is het feit dat zij denken dat
op de markt hun gulden een daalder waard is. Van dit idee wil ik u toch een
beetje verlossen, want als je goed rondkijkt en daarnaast prijzen weet te
vergelijken en ook nog een tikkeltje prijsbewust bent, dan komt u net als ik
tot de conclusie dat uw euro aan de dag van vandaag (slechts) een daalder waard
is op de markt.
Dit is geen sinecure
richting de marktkooplieden, want ik blijf de middenstand als groot geheel, een
enkele gunstige uitzondering daargelaten, nog steeds beschuldigen dat zij de
prijskaarten gewoon gelaten hebben voor wat ze waren, alleen dat ze dat gulden-teken veranderd hebben in een euro-teken.
Dus per saldo blijft de markt inderdaad tóch nog wat goedkoper en neem
dan ook alle positieve aspecten erbij die we net de revue hebben laten
passeren. Dan mag ik de hoop uitspreken dat de markt tot in lengte van jaren
nog een goed en economisch profijtelijk, voor beide partijen, gezellig leven is
beschoren. Niet dat er dit gevaar inzit, maar uit ervaringen is gebleken dat
een verplaatsing van een markt die al jaren bestaat, nog nooit in een succes
heeft geresulteerd. Maar met plannenmakers en andere ambtenaren weet je het
maar nooit. Laten we hopen dat de Bredase ambtenaren hierin iets meer empathie
vertonen dan hun soortgenoten in veel andere plaatsen. Ik wens u allen een
plezierige zaterdagmiddag toe op óns “martje.”
Silvia
Videler.
(34) Parijs, 5 dagen FTS voor
slechts 99 gulden.
Gare
du Nord
De iets ouderen onder ons
kennen deze aanbieding nog wel vanuit de zestiger jaren. Met de trein naar
Parijs (Gare du Nord) vanaf elk station in Nederland voor slechts Fl. 99
inclusief: hotel met ontbijt! In
mijn ‘rijke’ jeugdjaren heb ik daar ooit eens mijn ouders én
mezelf op getrakteerd. Boeken kon je deze reis bij diverse reisbureaus en bij
de spoorwegen. De naam FTS stond voor: Franse Toeristen Service en was een
dochteronderneming van de SNCF, ofwel de Franse Spoorwegen.
Het was best een grappige
ervaring, eerst met de trein naar Roosendaal en daar overstappen voor de
internationale trein naar Parijs. Ik weet nog goed dat de eerste conducteur,
direct na het instappen in Roosendaal, een grote lange Nederlander was, die
echter werd afgelost even na Brussel door een stuk kleiner en gezellig Belgisch
dikkerdje. Helemaal grappig werd het toen we eenmaal de Franse grens waren
gepasseerd en er een conducteur in de wagon kwam, die mede door zijn platte pet
nog eens twintig centimeter kleiner, dus korter was en leek. Lang hebben we nog
de slappe lach gehad van hoe het zou zijn als we nog verder naar het zuiden
hadden gereden. In onze verbeelding zagen we al lilliputters als conducteurs
voorbijkomen. Tegen het middaguur arriveerden we dan in een van de vele grote
Parijse kopstations: Gare du Nord en daar wachtte een jongedame ons op, strak
gekleed in een rood mantelpakje en veel te hoge hakken om ons naar een
hotelletje in de buurt te brengen. Ik schrijf bewust hotelletje, want het was
niet meer dan een ‘pijpenla’ met enkele verdiepingen en zowaar het
gebouw bleek over een lift te beschikken, die mijns inziens nog door Napoleon
was gebruikt. Althans zo leek het. Zeker met mijn moeder erin, die toch niet al
te mager was, maakte dat krakkemikkige ding de meest vervaarlijke geluiden. Ook
de kamer was geheel volgens de verwachtingen. Verwachtingen die we terstond
kregen bij de aanblik van de hal in dat hotelletje. Mijn vader mopperde zoiets
van: “een laatste renovatie van ver voor de eerste wereldoorlog.”
Maar goed, het was alleen
maar om te slapen en verder zouden we ons wel weten te vermaken. Natuurlijk
moest je even goed rekenen met betrekking tot de tijd die je had tijdens
zo’n uitstapje. Maar dat geldt heden ten dage nóg bij het boeken
van een vakantietripje. De vijfde dag van die vijf dagen mocht men amper
meerekenen. De trein vertrok al richting Nederland even na tienen in de
ochtend. Dus die vijfde dag was niks meer of minder dan naar huis rijden en
’s avonds weer gewoon thuis aanschuiven zoals dat heet. En die eerste
dag, dat bleek in de praktijk ook maar enkele uren te zijn, want eer dat je je
spulletjes in de krakende kasten met piepende deuren was kwijtgeraakt en je
jezelf een beetje had opgefrist onder de koude kraan, was het langzaam maar
zeker etenstijd. Nou ja, etenstijd voor een Hollander wel te verstaan. Fransen
plegen dat minimaal 1,5 uur later te doen en doen er dan ook veel langer over
dan wij. Gelukkig waren we allemaal in een opperbeste stemming en gingen ons
steeds meer en meer verbazen over de faciliteiten, of liever gezegd het
ontbreken van faciliteiten van dit Parijse één-ster-hotel. Franse
hotels zijn ook onderverdeeld qua classificering in één tot
vijf-sterren-hotels. Het gebrek was ondermeer een
toilet op de kamer, alsmede de volledige afwezigheid van een douche, zelfs op
de gang! Later bleek er toch een te zijn maar twee verdiepingen lager. Dat
bracht ons er al toe een eigen systeem van sterren te bedenken. Want die ene
toebedeelde ster vonden wij nog rijkelijk veel.
De ons toebedeelde handdoeken
hadden eveneens duidelijk betere tijden gekend en waren inmiddels voorzien van
een aantal kijkgaten, maar wel versierd met mooie rafels. Ook de lakens op de
bedden waren economisch gefabriceerd. Dat wil zeggen: dat ik bijvoorbeeld sliep
op en onder de verzamelde restanten van misschien wel zes lakens. Maar dan aan
elkaar genaaid. Zuinigheid met vlijt! Een ander probleem was de ventilatie, of
beter gezegd het volledig ontbreken daarvan. Het openen van een raam bleek ook
al een heidens karwei te zijn, wat zo ongeveer gelijk stond met het aanvangen
van sloopwerkzaamheden. Toch was ons dit toen gelukt, maar helaas, die ene dag
met regen! Wij wilden dus het raam weer even dicht doen, dát was echter
teveel gevraagd. Zelfs een beetje klem zetten mocht niet meer baten. Mijn
moeder die toch aardig wat verantwoordelijkheidsgevoel had, dwong mij als het
ware én dit onder haar scherp toeziende blik, om hiervan gewag te doen
aan de gérant. Want zij was terecht bang dat anders de zeer antieke vloerbedekking
nat zou regenen. Zijn stereotype antwoord stelde wel mijn moeder aanvankelijk
gerust maar mij niet. Want elke klacht, elk feit wat hem ter ore kwam werd
beantwoord met: “Ah, ca c’est rien madame. Demain!” Vrij
vertaald: “Da’s niks mevrouw, morgen!” Dat ‘morgen’
werd niet verder uitgediept of gespecificeerd. Hij had net zo goed kunnen
zeggen: “Volgend jaar.” Misschien was dat dichter bij de waarheid
geweest, hoewel?
Het meest gelachen heb ik
toen mijn moeder even iets per se wilde hebben of vragen en ik aangaf te
vermoeid te zijn om naar beneden te gaan en dat ze het zelf maar moest zien te
versieren wat ze wilde. Ze kon ten slotte tien woorden Frans spreken! Ik moet
nóg lachen als ik eraan denk hoe ze werkelijk echt geschrokken en
ontdaan weer terug kwam op de kamer. Beneden aan de receptie, een soort van
hoge toonbank met daarachter één stoel met een kerel erop en een
elektrische waaier, verder kon er absoluut niks kapot gemaakt worden. Daar
bleek een reusachtige neger te zitten die mijn moeder aardig wat angst
inboezemde. Alle Franse wellevendheid missend had hij mijn moeders verhaal
aangehoord en beantwoord met slechts één woord wat qua kracht en
geluid ergens uit zijn onderbuik was komen opblazen. “Quoi,”
zei de negroïde man, maar wel zó dat het geluid mijn moeder terug
deed deinzen en zij rechtstreeks de aftocht blies. Zo werd ik dus wederom
gedwongen een en ander beneden alsnog op te gaan halen. Enfin, in drie dagen
hebben we alles gezien in Parijs wat een toerist behoort te zien en niet gezien
wat een toerist beter niet kan zien. Moe en voldaan gingen we vrijdags weer
terug. Een bloedhete dag en van airco hadden de Franse spoorwegen nog nooit
gehoord. De trein maakte een vrij lange stop op het station van Brussel-Zuid en
daar er geen restauratiewagen of dito afdeling aanwezig was in de trein, klonk
het naderende geluid van de koffie- ijs- en limonadeverkoper op het perron me
als muziek in de oren. Ik bestelde via het opengedraaide raam een heerlijk
ijsje en mijn ouders wilde er ook wel eentje. Ik had ze al bijna te pakken toen
het op afrekenen aankwam. Drie maal twintig Belgische franken. Oef, op alles
gerekend, maar Belgisch geld had ik op dat moment niet bij me. Wel nog wat
Frans geld en natuurlijk Nederlands geld maar Belgische Franken? Nee dus. Geen
nood dacht ik, wetende dat mijn vader altijd wel een paar honderd frank bij
zich had. Alleen ik had buiten de logica van mijn vader gerekend. Twintig frank
voor één ijsje?! En dát terwijl het toentertijd een
soortgelijk en net zo’n groot ijsje bij bakker van Lint in de
Rubensstraat slechts één Hollands kwartje kostte. Dat was echt
téveel voor mijn vader. Zoiets kon er bij de goede man echt niet in.
Mijn moeder en ik werden razend, maar hij bleef voet bij stuk houden en stelde
kort en duidelijk niet besodemieterd te willen worden door zo’n
Franstalig stuk onbenul.
Even werd ik vals en
rekende hem voor dat ik hun de reis, verblijf en eten had aangeboden en dus
alles had betaald. En kon er dan godv… en nog
wat, niet eens een gulden veertig af, zoals hij twintig frank omschreef? Neen,
vader hield voet bij stuk en ik kon dus fluiten naar het ijsje want de
Franstalige ijs- en koffieverkoper accepteerde geen Nederlandse muntjes, alleen
papiergeld tegen een koers die een bankdirecteur postuum nog doet watertanden.
Jaren en jarenlang heeft mijn vader dit nog in geuren en kleuren moeten horen.
Ik was toen echt boos en verbolgen, maar later werd hij er vaak mee
geplaagd. Totdat… nu!
Tientallen jaren later. Ik was deze week ergens alwaar ik een hamburger
speciaal bestelde. Slecht voor de lijn maar o zo lekker. Zeker met uitjes,
curry en mayonaise. Gretig pakte ik het broodje aan en zette het aan mijn mond.
Helaas ik proefde géén mayonaise en toen ik het broodje opende
zag ik een half vingerhoedje vol, dus een drupke van
dat spul en meer niet. Zelden kijk ik naar een prijslijst in een dergelijke
zaak waar men dit soort snacks normaliter verkoopt. De prijzen ontlopen elkaar
amper, maar ineens zag ik de prijs van één portie mayonaise apart
op een bord vol prijzen vermeld staan. Prompt rekende ik het om in guldens en
besefte tegelijkertijd dat je voor dat bedrag bijna twee potten van dat spul
bij de Aldi kon kopen. Ik steigerde en weigerde dát geld (nog net geen
euro) uit te geven voor een extra lik mayonaise. Hierop zei mijn vriendin
terecht: “het appeltje valt niet ver van de boom,” want het verhaal
van de trein uit Parijs klonk haar niet onbekend in de oortjes. En na bijna
veertig jaar moest ik erkennen: “die ouwe heer had groot gelijk!”
Silvia
Videler.
(35) De tourkaravaan kwam eens door
Breda.

Woutje Wagtmans (foto Archief Sport-Express)
Op 8 juli 1954 kwam de tour
door Breda. Het was de eerste etappe die ging van Amsterdam naar Brasschaat
over een afstand van 216 kilometer. Rond het middaguur verzamelden duizenden Bredanaars zich langs de straten alwaar de karavaan langs
zou komen. De Haagweg lag ook in deze route en ik ben
daar toen gaan kijken. Als de dag van gisteren kan ik dat nog herinneren. Zo
rond 1.00 uur kwamen de eerste auto’s voorbij. Het werd even stil en
toen… ja hoor, daar kwam ie aan. Woutje Wagtmans, alleen aan kop. Een
gejuich van jewelste. Na enkele minuten pas kwam het peloton voorbij en in een
‘vloek en een zucht’ was het weer gedaan voor ons. Doch ik heb
eenmaal in m’n leven de tourkaravaan gezien en nog wel vlak bij ook!
In 1954 won Woutje
Wagtmans in Brasschaat de eerste Tourrit. Van Yvette Horner kreeg hij zijn
eerste gele trui. Woutje Wagtmans wist de gehele etappe voor te blijven en kwam
uiteindelijk als eerste over de streep in Brasschaat en veroverde daarmee de
gele trui. Voor de wat jongere (en ook oudere) wielerliefhebbers en voor hun
die het nog niet wisten, hier een korte omschrijving van deze geweldige
wielrenner uit onze regio: Wouter (Wout) Wagtmans (Sint-Willebrord, 10 november
1929 - Sint-Willebrord, 15 augustus 1994) was een Nederlands wielrenner. Hij
behoorde, samen met plaatsgenoot Wim van Est, tot de generatie die in de jaren
‘50 het wielrennen in Nederland grote populariteit bezorgde. Wagtmans
werd in 1947 amateur en werd twee jaar later Kampioen van Nederland. In 1950
werd hij noodgedwongen professional, omdat hij voor een overwinning geld zou
hebben aangenomen. Hij was precies één dag prof toen hij meedeed
aan het NK en een opzienbarende koers reed: alleen Gerrit Schulte kon hem, met
moeite, voorblijven.
Daarna had hij een
glansrijke carrière: hij deed acht maal mee aan de Tour de France en
droeg de gele trui in 1954, 1955 en 1956. Hij won vier etappes: in 1953
versloeg hij in Gap: Gino Bartali in de sprint en
werd hij vijfde in het eindklassement. Twee jaar later was hij de derde
Nederlandse winnaar in Bordeaux. Ook won hij drie etappes in de Ronde van
Italië en een aantal eendaagse wedstrijden. Op de baan was Wagtmans ook
succesvol, vooral bij het stayeren en samen met Van Est bij koppelkoersen. Wout
Wagtmans was een zeer populair renner, zowel door zijn strijdlust als door zijn
jeugdig enthousiasme. Het leverde hem vele bijnamen op: Olijke Woutje, Dik
Trom, Zoeloe, de Clown en het Kemphaantje. Hij beëindigde zijn
wielerloopbaan in 1961 en was in 1967 leider van de Nederlandse tourploeg rond
Jan Janssen. Daarna nam hij het transportbedrijf van zijn vader over. Eind
jaren ‘80 kreeg hij een ernstig ongeluk waarna hij invalide werd
verklaard. Wagtmans overleed in 1994, 64 jaar oud. Hij was de oom van een
andere succesvolle coureur, Rini Wagtmans.
Kees Wittenbols.
(36) Met
vetkrijt waren er tekens aangebracht vlak naast de bel bij uw voordeur.

Waarom
ik me dat nog zo goed herinner. Wel, dat lag aan de bij tijd en wijle
oplaaiende schoonmaakwoede die mijn moeder periodiek overviel. Het beste kon je
dan maar de ‘plaat poetsen,’ want deed je dat niet: dan was je
zowat ‘het haasje.’ Helaas ben ik min of meer regelmatig ‘het
haasje’ geweest. Een van die vervelende klusjes die mijn moeder dan in
haar almachtige wijsheid wist te verzinnen voor mij, was dan met een goede
harde borstel de voorgevel een beurt te geven. Mijn moeder zou dan de ramen doen,
dat stond voor het glas en het houtwerk met spons en zeem bewerken en dat deed
ze zo goed, dat de insecten het glas niet meer zagen en binnen de kortste keren
waren de ramen dan weer voorzien van gestrande vliegen en ander ongerief. Maar
eer het zover was, moest ik met een harde borstel de stenen goed schuren.
Vanuit het kleine voortuintje was er dan wel eens wat zand tegen de gevel
aangewaaid en daar ik nogal spetterde met dit werk, werden de glazen ruiten nog
viezer dan ze al waren in haar ogen. Dus eerst, de stenen, dan het houtwerk en
dan het glas. Er was echter een probleem. Dat waren de rare tekentjes die met
krijt zo ter hoogte van de voordeurbel op de muur waren aangebracht. Nou was
krijt mijn geen onbekend spul en we maakten er als kind dan ook dankbaar gebruik
van om er allerhande spelletjes mee op straat te tekenen, zoals hinkelpotjes en
dergelijke. Maar om ter hoogte van de voordeurbel nou kleine tekentjes aan te
brengen. Neen, daar zagen wij zelfs het nut niet van in.
Het
soort krijt waarmee deze tekens waren aangebracht waren dan ook nog eens van
een zeer moeilijk te verwijderen soort. Dit tot grote ergernis van mijn moeder.
Soms was het zo als je maar genoeg water gebruikte en hard schrobde, dan leek
het of de tekens verdwenen waren, maar zo gauw de stenen weer droog waren kwam
het gekrabbel weer terug in zicht. Een teken kan ik het best omschrijven als de
letter C, maar ook de omgekeerde C was bekend of de letter O al of niet met een
streepje erdoor. Doet het bij u een belletje rinkelen? Herkent u het? Mijn
ouders waren ervan overtuigd dat dit nimmer mijn ‘werk’ was
geweest, alhoewel ik mezelf echt wel tot veel kattenkwaad uithalen geroepen
voelde, maar van zoiets dergelijks zag ik nou ook echt niet de lol in, om zulke
kleine letters bij een bel te tekenen. Mijn nieuwsgierige aard werd dus des te
meer geprikkeld toen we ons realiseerden dat het bij de buren idem dito zo was.
Navraag betreffende dit fenomeen leverde vooralsnog helemaal niets op, zij het
dat we constateerden dat er vrijwel overal en bij iedereen zijn of haar
voordeur een of meerdere van deze tekens waren aangebracht. Bij toeval kwam ik
er later achter. Een man die ik kende uit mijn jonge jaren wist me te vertellen
dat dit het werk was van leurders, verkopers, colporteurs en dan voornamelijk van
zigeuners of woonwagenbewoners. In een voor mij nu nog onbekende code gaven zij
zo aan elkaar door welk adres ‘goed’ en welk adres
‘slecht’ was, qua verkoop. Alleen dit facet van het toen veel
langere en uitgebreidere verhaal is mij bij gebleven. De codes waren dan ook
veel en veel meer dan alleen een C of een O, al of niet voorzien van een
streepje erdoor. Maar de andere codes en de betekenissen daarvan, die ben ik
helaas vergeten.
In
die dagen kwam men dan ook met allerhande handel langs de deuren. Van dekens
tot tafellakens, van serviesgoed tot hele cassettes met messen en vorken
alsmede potten en pannen en God mag weten wat nog meer. Deze tekens waaronder
er ook eentje was die aangaf dat men op een dergelijk adres maar in het geheel
niet moest aanbellen, deden zodoende hun werk en gaf het colportagegilde
daarmee heel wat waardevolle aanwijzingen. Simpel en heel effectief. Nu houdt
men digitaal bij wat en waar u koopt, voor hoeveel en hoe vaak en is er meer,
veel meer van u bekend dan dat door simpele tekentjes bij de bel vroeger werd
te kennen gegeven aan ingewijden.
Silvia Videler.
(37) In de vijftiger jaren, vooral
bij de middenklasse zeer geliefd, die kostscholen.

Geïnspireerd door een
verhaal van Cas van Rooij zijn zus, die onlangs hem nog verhaalde van wat zij
als kind had meegemaakt op de Sint Annaschool. Waar zij door de nonnen ronduit
werd gediscrimineerd omdat ze ‘slechts’ van de Vestkant afkomstig
zou zijn! Die brief is nimmer gepubliceerd, maar het verdriet, het onrecht, het
wrange van het hele gebeuren was nog duidelijk aanwezig toen ik de brief las.
Wat een pijn moet dat gedaan hebben voor een kind. Gediscrimineerd te worden
omdat je ouders toevallig in een bepaalde straat woonden en dan maar gelijk een
stempel meekrijgen. Helaas, het is vroeger maar al te vaak voorgekomen en
nóg! Zelfs van Hem, aan wie wij onze Christelijke beschaving en normen
te danken hebben en voor velen geldt Hij ook als hun Verlosser en Heer,
namelijk Christus Jezus ‘Himself.’ Ook
van Hem werd gezegd: “kan er uit Nazareth iets goeds komen?” Het
probleem is al zo oud als de wereld. Mensen worden afgerekend op hun afkomst,
wie of wat hun ouders zijn of waren en bovenal waar men woonde of vandaan kwam.
In het verlengde hiervan kwam dan de opleiding, de school. Je had scholen voor
het gewone, normale volk en je had scholen voor de wat minderbedeelden. Zie
bijvoorbeeld in onze wijk, vroeger de speciale kleuterschool aan de Walstraat
voor kinderen van de Vestkant en het Westeinde. Ook schijnen er op de
Lourdesschool aparte klassen geweest te zijn voor die kinderen die uit deze
wijk afkomstig waren. In wezen is er niet zoveel ‘nieuws onder de
zon,’ want nu kampt men ook met de problemen van de zogenaamde zwarte en
witte scholen. Toch is dat weer iets van een andere orde en dus niet geheel te
vergelijken. Maar raakvlakken heeft het zeker.
Een totaal ander fenomeen
in de jaren vijftig was het verschijnsel van kostscholen. Toentertijd nog
strikt gescheiden voor jongens en meisjes. Ook stonden deze instituten bekend
als internaten. Vanuit mijn eigen kleuterjaren op de Sint Annaschool weet ik
nog dat het toenmalige hoofd van dat ‘bewaarschooltje’ er sterk op
aangedrongen heeft bij mijn ouders, mij naar een kostschool te sturen tot ik
‘rijp’ was voor de zogenaamde ‘grote school,’ ofwel de
lagere school. God zij dank heeft mijn moeder met name, nimmer geluisterd naar
die verderfelijke gedachte van die non. Toch heeft dit jaren en jaren als een
‘zwaard van Damocles’ boven mijn hoofd
gehangen. De immer dreigende mogelijkheid naar een dergelijk oord gezonden te
worden. Ja, van pedagogie hadden mijn ouders in deze ‘weinig kaas
gegeten.’ Maar ik was toch niet helemaal onbekend met het begrip kostscholen.
In onze toenmalige vriendenkring kenden wij diverse mensen die hun kinderen
daadwerkelijk naar een kostschool hadden gezonden. Oudenbosch en Huijbergen
waren twee bekende voorbeelden.
Kostscholen werden in de
meeste gevallen geleid door zogenaamde religieuzen. Broeders of zusters
genaamd, persoonlijk spreek ik liever over nonnen. Mensen die het begrip
vaderschap of moederschap nooit zelf hadden ervaren, werden in deze internaten
belast met het opvoeden, in toom houden en verzorgen van kinderen vanaf een
leeftijd van zes jaren en ouder. De meesten waren niet gekwalificeerd, dat wil
zeggen: zij die toezicht hielden. De broeders en de nonnen die de
onderwijstaken verrichtten uiteraard wel. Zij waren minimaal afgestudeerd aan
wat toen nog een kweekschool heette. Maar de vele nonnen of broeders die de
andere taken toebedeeld hadden gekregen, zoals het toezicht en het begeleiden
waren veelal niks meer of minder dan, laten we zeggen goedbedoelende
vrijwilligers. Volkomen gespeend van enige kennis en inzicht. Ja, ervaring soms
wel. Doch veelal een ervaring die gestoeld was op hun eigen misbruiken en
falen. Alles werd bedekt met de ‘religieuze mantel der liefde.’
Vele, zeer vele gesprekken heb ik later gevoerd met slachtoffertjes van dit
soort opvoeding. In vele gevallen hadden de ouders een baan of met name een
zaak, waardoor het hen dikwijls aan tijd ontbrak om hun kinderen op te voeden,
of toezicht te houden op hun huiswerk en andere belangrijke taken des levens,
om het maar eens archaïsch te zeggen.
Klassikaal werden de
kinderen ondergebracht op slaapzalen en van enig privé was hoegenaamd
geen enkele sprake. Alles ging gezamenlijk van opstaan, wassen, aankleden,
ontbijt, verplichte kerkgang, school, lunch, wederom school, vrije tijd, sport,
veelal ook verplicht, tot de avondstudie aan toe. De groepsvorming, de
machtsspelletjes onderling én vaak het seksuele misbruik door de
toezichthouders moest men maar op de koop toenemen. Als men de verhalen moet
geloven en waarom zou ik ze niet geloven, ze zijn allemaal zéér
geloofwaardig en authentiek, waren er heel wat gefrustreerde nonnen en
broeders, die misschien ook wel noodgedwongen hun heil hadden gezocht in het
kloosterleven. Hoe men ook denkt over het leven in congregaties en vanuit welk
godsdienstig oogpunt men ook het een en ander beschouwt, men zal toch moeten
toegeven dat dit soort leven niet beantwoordt aan het uiteindelijke doel van de
mens. Zeker als men de zogenaamde gelofte van kuisheid neemt, die in de
katholieke kerk zo hoog stond aangeschreven en die een vereiste was voor elke
vorm van kloosterleven. Volkomen tegennatuurlijk en gevoelens moeten toch een
uitweg vinden! Om zoiets te kunnen concluderen hoeft men niet al teveel
gestudeerd te hebben, een beetje gezond verstand volstaat mijns inziens.
Honderden, zoniet duizenden leeftijdgenoten hebben
echter deze schaduwkanten ondervonden op dit soort internaten. De een wat
minder dan de ander, maar de spanning en de dreiging was vaak alom aanwezig,
getuige de vele gesprekken die ik hierover met menigeen heb gevoerd. Er liepen
wat gefrustreerde individuen rond, al of niet in een habijt!
Ook de opvoeding waarin
echte ouderlijke liefde maar zeer beperkt getoond kon worden heeft velen danig
gefrustreerd. Er is echter aan elke schaduwkant ook een positieve zijde. Gezien
de vrije hoge pensionprijzen die dergelijke internaten eisten was het voor
velen niet mogelijk, alleen al financieel gezien, om hun kinderen daar te
‘parkeren.’ Bijvoorbeeld de kinderen uit de wat financieel minder
gegoede wijken, zoáls de Vestkant en het Westeinde, hebben en hadden
deze ervaringen gelukkig niet. Simpelweg omdat de ouders van juist dèze kinderen erg gehecht waren aan het gezinsleven
en het zelfs ook niet in hun hoofd haalden om hun kroost aan die nonnen of
broeders toe te vertrouwen. Zij hebben weliswaar een prijs hiervoor moeten
betalen, want ze werden op een andere manier gediscrimineerd. Maar
één ding is zeker: de meeste kinderen uit dit soort buurten zijn
heden ten dage een stuk gezonder, seksueel gesproken wel te verstaan, dan
menigeen uit de zogenaamde gegoede klasse, die de jaren van gedril en
frustratie en gemis van ouderliefde aan den lijve hebben moeten ondervinden.
Silvia
Videler.
(38) De watersnoodramp van 1953.

Gedenksteen
Watersnoodramp 1953 in gevel van de Nederlands Hervormde Kerk –
Stavenisse
Het is nu al zo’n 55
jaar geleden dat er dijkdoorbraken waren in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland.
Ik moet zeggen, dat ik er deze keer niet al te veel over heb gehoord of
gelezen. Maar u wellicht toch nog wel. Ik ga nu zelf even met mijn herinnering
naar die nacht van 31 januari op 1 februari 1953. Wij woonden toen nog steeds
in de Oranjeboomstraat en ik weet nog heel goed dat het die avond en nacht
flink stormde. Ik had mijn slaapkamer aan de achterkant en daar blies de wind
op een ongelooflijke wijze tegen de ramen. Ook regende het hierbij en ik was
toen heel bang, want soms dacht ik wel eens, dat de ruiten er zouden
uitvliegen. Ik was toen 8 jaar oud en verstopte me min of meer onder de dekens,
om maar zo weinig mogelijk te moeten horen. Nietsvermoedend, dat een aantal
kilometers verderop die ene na de andere dijk het begaf. Dat hoorde ik pas de
andere dag. Toch sta je er als kind heel anders tegenover dan een volwassene,
want ik besefte toch min of meer niet wat voor leed dat daarginds wel niet
aanrichtte. Wat er direct na die dag allemaal gebeurde, heb ik geen weet meer
van. Maar in dezelfde week werd er door onze school en waarschijnlijk ook door
andere scholen, een grote inzamelingsactie gehouden van speelgoed, die wij ter
beschikking wilden stellen voor de getroffen kinderen uit het rampgebied.
Iedereen, maar dan ook iedereen nam ’n stuk speelgoed, wat van zichzelf
was mee naar school. Binnen de kortste keren ontstond er een grote stapel
speelgoed. Ik meen te herinneren dat dit allemaal vervoerd werd naar het
Concordia op het van Coothplein.

Het
vroegere Concordia
De volwassenen zorgden
weer voor andere giften in de vorm van vooral kleding en dergelijke. Vanuit
heel Breda en de naaste omtrek kwam dat dan daar terecht. Ik kan nog goed
herinneren dat ik een boekje van mezelf mee naar school had genomen wat ik
wilde afstaan. Ik kan ook nog herinneren dat er helaas wat vlekken opzaten en
er zaten ‘ezelsoren’ aan de pagina’s. Maar veel andere dingen
had ik nou ook weer niet. We waren in die tijd nou niet echt beladen met
speelgoed. Een paar dagen later toen ik in de klas zat, kwam de onderwijzer met
een aantal dankbrieven aanzetten van kinderen uit het rampgebied, die waren
gericht aan sommige van ons. Immers, wij hadden allemaal onze naam door middel
van een, zeg maar, begeleidend briefje, erbij gestopt. Omdat ik vond dat mijn
boekje eigenlijk het aanzien niet waard was, verwachtte ik zéker geen
bedankje. Maar toch, ik kreeg ook een dankbriefje met als inhoud wat deze
jongen allemaal niet had moeten doorstaan en dat het voor hem toch wel goed was
afgelopen. Ik heb dat briefje nog lang bewaard, maar ben het jammer genoeg toch
kwijtgeraakt. Ik weet alleen te herinneren dat hij in een plaatsje in Zeeland
woonde, een plaatsje dat ook erg getroffen was. Ik had later best wel eens
willen informeren naar hem, maar dat ging niet meer. Ook kan ik nog goed
herinneren, toen we een dag of wat later bij oma op visite waren, dat zij zat
te huilen bij de radio. Ze had net te horen gekregen dat er een aantal bekenden
van haar verdronken waren. Mijn oma woonde vroeger in Halsteren en iedereen
kent elkaar daar. Ik meen te herinneren dat er zo’n 40 mensen toen in
Halsteren zijn verdronken. Een laatste beeld wat me nog bijstaat, is een foto
uit de krant van de ondergelopen spoortunnel in Dordrecht. Door die tunnel
kwamen wij vaak als wij bij een oom van mij op visite gingen. Voor een kind van
8 jaar is dat natuurlijk best wel een vreemd gezicht. Gelukkig kwamen snel
daarna de Deltawerken op gang en is de kans dat zoiets weer gaat gebeuren wel heel
erg klein geworden.
Kees
Wittenbols.
(39) De gebroeders of de gezusters
van…
Zomaar een gedachte aan toen.


Alom voorkomend en heel bekend.
Zo was het vroeger in de Oranjeboompleinbuurt en ook elders. Er was haast geen
straat, althans van enige lengte, die ze niet tot haar bewoners had. Twee,
drie, soms vier broers en of zussen die met elkaar, na de dood van hun
respectievelijke ouders, als het ware één gezin bleven vormen. De
trouwlustigheid was aan deze mensen voorbij gegaan, of men zag er op andere
manieren geen heil in. Over het hoe en waarom heb ik tot dusverre nog weinig
kunnen lezen. Zeker en vast dat er zogenaamd wetenschappelijk onderzoek naar
gedaan is, dat staat buiten kijf. Waar men al niet op kon en kan promoveren,
dat is schier onuitputtelijk. Mogelijkheden te over. Het was een gewoon en vrij
algemeen en ook veel voorkomend verschijnsel in de jaren vijftig tot zestig en
zeker ook daarvoor, dat enkele of in sommige gevallen alle kinderen van een
ouderpaar na de dood van hun ouders bij elkaar bleven wonen. Liefst nog in het
huis van hun overleden ouders. Was het bezitsvorming? Wie het weet mag het
zeggen! In haast alle gevallen waren de ouders van deze bewuste vrijgezellen
dan ook in de ‘gelukkige’ omstandigheid dat zij veelal tot hun dood
thuis konden blijven wonen en thuis verzorgd werden. Meestal heel liefdevol
volgens het bidprentje en de rouwadvertentie. De vraag dringt zich echter op of
de keuze van een dergelijk vrijgezellenbestaan nou wel geheel en al vrijwillig
was? Werd er wel of niet op ingepraat met betrekking tot deze keuze? Werd men
toch niet gedwongen, respectievelijk onder druk gezet? Een antwoord hierop kan
ik niet geven. Feit is wel dat ik diverse van deze broers- en zussenkoppels in
de loop der jaren gekend heb en dat zij ook ná het overlijden van hun
ouders toch geen van allen de huwelijkse staat verkozen, maar ‘bij
elkaar’ bleven.
Dat een dergelijk bestaan
zou worden ingegeven door (r.k.) religieuze redenen
kan ik ook niet beweren. Ik kende diverse voorbeelden van dergelijke
‘gezinnen’ die toch echt niet zo vroom waren. Aan de Haagweg, iets voorbij café Pas Buiten en IJzerhandel
Poorts en Drogisterij Brockx,
had je de slijterij van de dames van Vugt. Ongehuwde zussen die samen een
slijterij dreven! Nou toch niet bepaald een stiel waar de religie van afdruipt.
Mijn excuses bij voorbaat als ik eventueel een naam niet helemaal correct
schrijf. U hoeft me niet te mailen of iets dergelijks. Ik moet putten uit
m’n geheugen en een research met vele telefoongesprekken alvorens ik iets
ga schrijven is me toch net iets teveel. Dit was mij wel dringend geadviseerd
door sommigen, omdat ik een naam niet goed had weergegeven. Maar dit verder
terzijde. Een eindje verder richting het centrum en nog net op de Nieuwe
Haagdijk had je de huishoudelijke artikelen winkel van de Drie Gezusters. Een
soort van voorloper van de hedendaagse Blokker. In onze eigen Oranjeboomstraat
even voorbij de familie Wittenbols of wellicht woonde zij er zelfs naast: de
familie Baars. Een wat oudere heer met twee dochters, beiden toen al uitermate
middelbaar én ongehuwd! Bij mijn weten zijn de beide dames ook na de
dood van hun vader bij elkaar blijven wonen. In gemengde vorm kwam dat broeder-
en zustergezin ook voor. Ik heb er zelfs een heel verhaal aan gewijd. De
familie Vriends, die een oude boerderij bewoonde in de Scheldestraat recht
tegenover het Westeinde. Drie broers en één zuster vormden samen
het ‘gezin.’ Zo waren er overigens veel meer, namen wil ik verder
niet noemen omdat ik van die anderen, die ik ook kende, toch wel vond soms dat
ze een beetje ‘anders’ waren dan anderen.
Nimmer kon en ook achteraf
kan ik het niet, de vinger leggen, waarop of waarom ze dan anders waren. In de
ogen van mij en ons en met ons bedoel ik: de andere kinderen met wie je zoal
speelde, waren het toch vreemde mensen. Misschien wel wereldvreemd!
Teruggetrokken, niet meedoende aan het leven in de buurt. Ze hielden zich als
het ware schuil. In ieder geval afzijdig. Ze hadden ook unaniem een afkeer van
kinderen. Althans in de bejegening die ons als kinderen te beurt viel, kon je
niet bepaald opmaken dat het grote kindervrienden waren. Dat dit een
wisselwerking ten gevolge had liet zich raden. Zeker in het geval van wat
kribbige oudere dames, was het voor ons een ideale uitdaging te controleren of
de voordeurbel het nog wel deed.
Tot mijn schande moet ik
erkennen dat het woord heks door ons als kinderen in die dagen toch veelvuldig
is gebruikt. En waarom? Omdat die mensen anders waren dan de meerderheid? Niet
dat wij hierin werden gestimuleerd door onze ouders, geenszins, zelfs
integendeel. Maar je kunt nu achteraf begrijpen hoe in vroeger eeuwen
alleenstaanden en wat wereldvreemde mensen al gauw tot heks
‘gepromoveerd’ werden, daar de kinderen toen nog niet geremd werden
door hun al even domme ouders. Achteraf concluderend wil ik toch stellen,
zonder gehinderd te worden door echte kennis van zaken betreffende de mensen
die ik vernoemd heb en die ik niet vernoemd heb, dat zij in het algemeen
genomen niet meer of minder gelukkiger waren, dan zij die wel zoals de meeste
mensen toen in een huwelijksverband leefden. Of het vrijwillig was of niet,
maar bewust kiezende voor een vrijgezellenbestaan, kwam in die tijd in ieder
geval veel en veel meer voor dan tegenwoordig. Wat mij altijd gefrappeerd
heeft: je kon het aan de mensen zien, zien dat ze vrijgezel waren. Of het hun
houding of hun gelaatsuitdrukking was, ik kan het niet zeggen. Maar het was wel
te zien. Een fenomeen wat je nu heden ten dage niet meer kan stellen. Daarvoor
is onze hedendaagse samenleving een te grote mix geworden van allerlei slag
mensen, geaardheden en voorkeuren.
Silvia
Videler.
(40) Breda is de stad in Brabant met
de meeste hotels.
Maar met de minste aanbiedingen.
Raar maar waar. Ik was er
normaliter nooit ofte nimmer opgekomen. Gedwongen door het feit dat ik wel eens
een overnachting boek in Breda werd en word ik zodoende wel met dit feit
geconfronteerd. Maar ook anderen klagen hierover, zie verder in dit stukje.

Hotel
van Ham - Van Coothplein 23 - Breda
Breda heeft een scala aan hotels
in diverse prijsklassen van simpel en duur, tot heel luxe en extra duur. Ja,
want om voor een redelijk koopje te overnachten in Breda, dat is echt geen
optie. Minimaal ben je rond de 50 euro per nacht kwijt. Dus ruim honderd
gulden, voor een kamertje. Dan hebben we het over hotels op industriegebieden
gelegen en zeker niet in het midden van de stad. Voordeel is dan weer, op die
industriegebieden, dat je geen parkeerkosten hebt. Maar leuk? Gezellig?
Sfeervol? Nou nee! Niet bepaald! Het is opmerkelijk dat er in Breda zoveel
hotels zijn, zeker wel een stuk of 12 tot 15, plus dan nog een aantal
zogenaamde Bed- & Breakfast-adressen. Daar zou je
van mogen verwachten dat die prijzen toch wat lager liggen dan de hotels, zeker
gezien de in veel gevallen mindere service en faciliteiten, maar dat is dan ook
alweer een tegenvaller. Pas nog in zo’n ‘ding’ gelogeerd en
dat viel bar tegen, zeker als je van te voren niet op de hoogte wordt gesteld
dat je er niet mag roken en er dan pas op het moment van binnenkomst mee wordt
geconfronteerd en er ook nog eens twee mij zeer dierbare zilveren kettingen
zijn… verdwenen! Ja, ‘verdwenen’ heet dat geloof ik.
Privé benoem ik het ietsjes anders.
Internetpagina’s te
kust en te keur met allerlei mogelijke aanbiedingen om eens een weekendje uit
te gaan. Met soms hele voordelige arrangementen, naar de eilanden, de Veluwe,
naar Zuid-Limburg, naar diverse Hollandse steden, enzovoorts. Hotelcheques zijn
er met allerlei aanbiedingen, dikwijls gelegen op de mooiste plekjes van
Nederland tot en met aan zee toe, maar in of rond Breda? Helaas. Niks te
vinden. Ja, wel enkele aanbiedingen (arrangementen) met diners en dergelijke en
voor een langer aantal dagen, natuurlijk die wel. Maar dan moet je echt gaan
denken aan prijzen die (heus) tegen de vijfhonderd euro en hoger liggen. Per
paar natuurlijk, maar dan nog? Dat is een hoop geld naar mijn bescheiden idee!
Helaas als je echter zo maar eens een paar dagen naar Breda wil gaan, betaal je
wel het ‘volle pond.’ Ondanks de vele, zeer vele hotels, guesthouses en dergelijke.
In Antwerpen, Brussel en
Gent bijvoorbeeld, kun je voor een ‘prikje’ overnachten in de
betere hotels en zeker in het weekend. Waarom blijft Breda achter in deze?
Natuurlijk zullen de meeste hotels hun bezettingsgraad behalen uit het
zogenaamde zakenleven. Doch, de mensen die dat zakenleven vertegenwoordigen
checken heus uit op vrijdagochtend en slapen diezelfde nacht weer bij moeders
achter de ‘gebreide onderbroek’ en zo hoort het ook nietwaar? Dat
is in vrijwel heel de wereld hetzelfde beeld. Doordeweeks zitten de hotels vol
en in de weekends staan er vele, vele kamers noodgedwongen leeg. De hotels
(elders) zijn er zelfs op gebrand, om, zij het tegen sterk gereduceerde
tarieven, toch nog met een redelijke bezettingsgraad het weekend door te komen.
Helaas missen wij dat node in Breda! Is het omdat Breda geen toerisme aantrekt?
Dát kan ik me nauwelijks voorstellen. Met zó een binnenstad, met
zoveel oude prachtige gebouwen en historie. Met zoveel natuurschoon rondom de
stad en met zó een fantastisch horeca-aanbod! Men noemt Breda niet voor
niets de meest Bourgondische stad van de Lage landen!
Welke hotelier heeft de moed
er eens mee te beginnen? Elders loont het immers ook! Vele kennissen van ons
hebben wij wel eens vol ‘vuur en gloed’ over Breda verteld. Doch,
hun antwoord was dan later toch, dat zij vanwege de dure overnachtingen er maar
van afgezien hadden. Hun commentaar was soms zelfs erg scherp! Vier of vijf
dagen Breda is duurder dan een volle week vakantie naar Zuid-Turkije of Spanje
en dan heb je de vliegreis er nog bij ook! Heren Hoteliers, dát kan toch
niet de bedoeling zijn? Of heeft u liever ook een vijfdaagse werkweek? In dat
geval had u een ander vak moeten kiezen! Kom eens met een sympathiek bod en u
maakt Breda nóg bekender en aangenamer om er te vertoeven.
Silvia
Videler.
(41) Avonturen in de kerk van de
Oranjeboomstraat.

Ik weet nog toen ik mijn
Eerste Heilige Communie had gedaan, dat het een plicht werd om iedere zondag
naar de kerk te gaan, voor het bijwonen van een mis. Er werd niet aan mij
gevraagd of ik daar eigenlijk wel iets voor voelde, neen, het moest gewoon,
punt uit! Het hoorde er gewoon bij. Mijn ouders waren katholiek, dus wij
vanzelf ook. Dus… hup, naar die kerk toe!
Volgens de katholieke leer
was het bijwonen van een mis - op zondag dus - een verplichting. Als je geen
goede reden had, als je eens ’n keer niet ging, dan deed je een
doodzonde. Dit moest je dan zo snel mogelijk ‘opbiechten,’ want
anders kon het helemaal fout met je aflopen. Stel, dat je plots zou komen te
overlijden. Nou, dan was je de ‘sigaar,’ want dan ging je zonder
omweg naar de hel. Wat een geluk, dat ik niet vóórdat ik gedoopt
werd kwam te overlijden. Immers, iedereen werd geboren met een
‘erfzonde’ die dan automatisch zou worden vergeven zodra je gedoopt
was. Anders was ik ook regelrecht naar de hel gegaan! Volgens de katholieke
leer had ik dus al heel wat op mijn ‘kerfstok,’ toen ik nog maar
net was geboren! Als kind zijnde werd je in feite voor heel veel dingen bang
gemaakt voor al deze mijns inziens enorme grote flauwekul. Ik had vroeger altijd
al twijfels, betreffende ‘alles’ wat met het geloof te maken had.
De geestelijken konden allemaal ‘mooie’ verhalen vertellen, van wat
er zo - onder andere - rond het jaar nul moet hebben afgespeeld, maar ik vond
het altijd al iets van ‘duizend en een nacht.’ Ik had toen al
duidelijk een eigen en zéker een andere gedachte hieromtrent, maar droeg
deze voor de ‘goede orde’ niet al te veel naar buiten toe uit. Deze
gedachte heb ik nu nog steeds en die zal zeker nooit meer veranderen.
Ja, die kerk. Ik kan niet
herinneren dat ik ooit met plezier daar naartoe ben gegaan. Wat heeft bovendien
een kind nou eigenlijk te zoeken in een kerk? Het was op de eerste plaats
altijd veel te druk met mensen en je zat werkelijk tussen de anderen
‘gepropt’ en het enige wat je zag was de brede rug van een
volwassene die voor je zat. Wat er op en rond het altaar gebeurde, kon je dus
niks van zien. Als er daar gesproken werd was het ook niet te verstaan, want
het was allemaal in het Latijn. Het enige Nederlands wat je te horen kreeg, was
van de pastoor of kapelaan, die op de preekstoel zijn verhaal verkondigde. Waar
het over ging, was duidelijk gericht aan de volwassen persoon. Veel te
ingewikkeld voor een kind! Dan had je nog zo rond de
‘consecratietijd’ het bewieroken van iets, waarvan ik nog steeds
niet weet wat het was en die rook sloeg duidelijk op je keel. Ik heb vaak menig
kerkgangster flauw zien vallen, vanwege die enorme smerige lucht die in de kerk
hing!
Dan dat koor! In wezen was
dat nog het minst onaangename van de hele mis. Niet in elke mis werd er
gezongen. Je had zondags, zover ik nog weet 3 missen, waarvan er een de hoofdmis werd genoemd. Juist in deze mis was er muzikale
ondersteuning door: of mannenkoor, of jongenskoor of gemengd en dan met
begeleiding van het orgel. De klanken van dit orgel waren best mooi te noemen.
Doch vele malen heb ik een valse noot tussendoor gehoord, maar de organist deed
zijn best. Alleen de mannen van het koor die lagen er veel vaker uit, soms werd
zelfs het gezang onderbroken en keek iedereen in de kerk achterom, naar boven,
want daar zaten ze allemaal, maar toch… het zij hun vergeven. Het waren
ook allemaal maar vrijwilligers. Het jongenskoor stond in de beginjaren vijftig
onder leiding van broeder Vitalis. Ik heb dat altijd een beetje eigenaardige
persoonlijkheid gevonden. Doch, het jongenskoor was zo slecht nog niet! Al mijn
broers zijn lid geweest van dat koor, behalve ik. Hoe zou dat toch komen? Ik
weet ook nog dat het dragen van een hoofddeksel voor de vrouwen verplicht was
en de mannen moesten hun hoed, voor ze de kerk betraden, afzetten. Kleine
meisjes werden alleen in de kerk toegelaten als ze een strik in hun haar
hadden, het is ongelooflijk maar waar!

Communiebank
De enige echte afleiding
voor mij vond ik dan nog de communie, kon je eindelijk eens even weg van die
harde houten bank. Ik heb een keer een komisch voorval meegemaakt bij het ter
communie gaan. Een oudere broer en ik zaten op onze knieën aan die
communiebank, toen we plotseling de slappe lach kregen. Dat was precies
vóór het moment dat kapelaan Maas met zijn hosties kwam
aandragen. Eerst wilde hij een hostie op de tong van mijn broer leggen, maar
dat ging gewoon niet, vanwege die slappe lach en schudde ‘nee’ met
zijn hoofd. Wat een verbouwereerd gezicht kapelaan Maas trok, was met geen
‘pen te beschrijven.’ Doch, hij ging weer verder. Toen was ik aan
de beurt en ook ik kon van het lachen zeker geen hostie ontvangen en schudde
ook ‘nee.’ Dat gezicht van die kapelaan, ik moet weer lachen als ik
er aan terugdenk. Het is natuurlijk een bekend verschijnsel. Daar waar je
serieus behoort te zijn, schiet je nog al gauw in een lach. Van die keren dat
het ontvangen van de hostie wel lukte, kan ik nog herinneren, dat wanneer je
dat ding in je mond had, je er niet op mocht kauwen. Je moest dan vanuit de
communiebank ‘zeer vroom kijkend’ teruglopen naar je plaats en al
knielend moest je je handen voor je gezicht houden en moest je ’n een of
ander gebed al binnensmonds opzeggen. Wat voor een gebed ben ik vergeten.
Ondertussen moest je proberen de hostie heel door te slikken. Je mocht er zeker
niet op kauwen, want een hostie was en is nog steeds het lichaam van Christus
en ik stelde me daarbij voor dat je ‘hem’ anders beet!
Ik had in een ander
verhaal al eens verteld, dat wanneer de consecratie was geweest, je de kerk
eventueel zou mogen verlaten. Daar liet ik meestal geen ‘gras over
groeien’ en ging dan, druk of niet druk, gewoon weg. Behalve wanneer ik
in ‘geldnood’ zat, dan bleef ik tot aan het eind van de mis zitten
en nadat de mensen de kerk hadden verlaten of bezigwaren met het verlaten, ging
ik, maar niet alleen ik, maar ook andere kinderen, snel alle banken langs om te
kijken of er mensen geld hadden laten liggen, of hadden laten vallen en zo kwam
ik dan toch wel vaak aan een extra centje om wat lekkers te kunnen kopen. Dat
moest natuurlijk wel snel gebeuren. Want vrij snel na de mis kwam de koster de
zaak even inspecteren en dan was het wegwezen. Om de tijd een beetje te
‘doden’ konden we het natuurlijk ook niet laten, om wat
kwajongensstreken uit te halen. Wij gingen meestal helemaal achter in de kerk
zitten en als het te druk was bleven we gewoon achterin staan. Je had van die
vrij lange gangpaden tussen de banken tot aan de communiebank toe. Zo tegen het
eind van de mis gooiden we dan een knikker door zo’n gangpad richting
altaar en die eindigde dan helemaal voorin. Het mooie was altijd dat er dan
veel mensen omkeken met een boos gezicht en wij hadden dan weer de slappe lach.
Het gebeurde wel eens dat de koster er ‘lucht’ van kreeg en op ons
af kwam. Omdat we toch helemaal achterin stonden en vlakbij de buitendeur
waren, renden we dan naar buiten en dan was het nog minstens ’n half uur
napret. Kijk, dat waren leukere dingen! Ook propjes schieten in de kerk vond ik
een leuke bezigheid.

Preekstoel
Ik ken ook nog iemand die
het wel heel erg ‘bont’ maakte. Die had van thuis een ‘zakje
blauw’ mee naar de kerk genomen en in een wijwaterbak gedumpt. Het waren
vooral de wat oudere dames die van deze ‘bakken’ gebruik maakten,
hun vingers hierin natmaakten en dan een duidelijk kruis maakten, door te
beginnen bij het hoofd, dan de borst en daarna de twee schouders. Terstond
waren ze getekend. Op alle vier voornoemde plaatsen een blauwe plek, waarna ze
later van deze vlekken via de stomerij er slechts vanaf konden komen. Ook was
er iemand die regelmatig een stinkbommetje liet afgaan in de kerk, nou, daar
werd ik zelfs niet goed van. Ik bedoel maar… er waren er nog wel meer die
de kerk nou niet echt zagen zitten, maar ook gedwongen werden daar naar toe te
gaan en dan kun je er ‘donder’ opzeggen dat zulke dingen staan te
gebeuren.
Voorts zijn er nog enkele
dingen die vermeldenswaardig zijn van situaties, die ik nog goed kan herinneren
uit deze voor mij ‘roerige’ jaren vijftig. Pastoor Dekkers had in
die tijd een hond, ik dacht te herinneren dat het een Duitse Herder was. Maar
deze had de gewoonte als de klok ging luiden van de kerk om dan luid te gaan
zitten janken op het kerkplein. Zo luid zelfs, dat je het in de wijde omtrek
kon horen. Deze hond had mijns inziens best wel een goed stel hersenen, want
klokgelui vond en vind ik ook vreselijk en zou er ook bijna van gaan janken!
Blijft natuurlijk de vraag over wie deze hond uitliet? Nou moet ik wel zeggen
dat vooral in die tijd gewoon de voor- of achterdeur werd opengezet en de hond
een vrije gang kende naar buiten en waar het hem uitkwam zijn behoefte deed. Zo
zal het vermoedelijk wel zijn gegaan. Zo ken ik nog heel goed die dag voor de
geest halen dat het Vormsel plaatsvond. Ik zat toen reeds in de zesde klas en
het was toen Mgr. Baeten, de toenmalige Bisschop van Breda, die dit afnam. Ook
kan ik nog goed herinneren dat kapelaan Braat zichtbaar opgebaard lag in de
kerk en ook alle kinderen min of meer verplicht waren, om op deze manier
afscheid van hem te nemen. Zie ook het verhaal van Ton Frijters:
De Pastorie en zijn bewoners, op de site van de Oranjeboompleinbuurt. Nou zijn
er in andere verhalen welke met deze kerk - en rond de kerk - te maken hebben,
al bepaalde dingen geschreven. Onder andere al die ‘ellende’ die
met de biecht te maken hadden. Ja, dat heb ik ook allemaal ondervonden. Het is
zeker toch wel leuk om die nog eens te lezen. Hier wil ik het dan bij laten.
Langzaam maar zeker gingen er op den duur steeds minder mensen naar die kerk en
ik weet niet of ze ondertussen dezelfde gedachten hebben als ik, maar het zou
best wel eens kunnen.
Kees
Wittenbols.
(42) Zegeltjes sparen.
Geen verschil met vroeger en nu.
Nou ja geen verschil,
hooguit zijn er wat kleine verschilletjes in systemen van sparen. Maar zelfs
het ouderwetse plakken van zegeltjes op kaarten of in boekjes is nog steeds
niet helemaal voltooid verleden tijd. Bijna elke levensmiddelenzaak had vroeger
al een of ander spaarsysteem. Dat varieerde van zegeltjes tot stempeltjes, of
het bewaren van kassabonnen die dan weer recht gaven op een of andere korting,
of zoals bij De Gruyter een contante teruggave van zelfs 10 %. Bij mijn weten
is dit het hoogste percentage ooit, wat gegeven werd door middel van sparen.
Men zegt dat De Gruyter hieraan zijn faillissement te danken had. Zo had
bijvoorbeeld de textielwinkel van Riet van Gool, aan de hoek van de
Verlaatstraat, de bekende ringzegels. Meerdere zelfstandige bedrijven waren bij
dit spaarsysteem aangesloten. Ook onze kruidenier de Kock had zijn eigen
zegeltjes die driftig werden gespaard. En o wee als die arme mevrouw de Kock in
alle drukte eens vergeten had de zegeltjes te geven. Zegeltjes leken soms wel
meer waard te zijn dan gewone klinkende munten. “Als je overal aan
meedoet dan heb je er een dagtaak aan,” zei mijn moeder wel eens om alle
zegeltjes, waardebonnen en dergelijke op te plakken en alles bij te houden.
Overdreven natuurlijk, maar een kern van waarheid zat er wel in. Want naast de
zegeltjes die gegeven werden op het totaal te betalen bedrag, had je ook nog
spaaracties op diverse producenten van artikelen. De meest bekende is wel die van
Douwe Egberts. Op elk half pondspak zat en zit een waardebon van 10 punten en
op een pakje thee van dezelfde fabriek een waardebon van 4 punten. Maar niet
alleen Douwe Egberts, ook van Nelle had zijn eigen spaarsysteem en menige
margarinefabrikant had aan de zijkanten van de pakjes waardebonnetjes
afgedrukt. California-soepen uit Harderwijk kende zo een systeem en diverse
schoonmaakartikelen deden evenzo hard mee, om in de gunst van de consument te
komen.
Heel, heel veel mensen
deden hier driftig aan mee. Niet alleen waren de beloningen keiharde guldens of
rijksdaalders, maar soms ook koffie- of theezet-apparatuur.
Anders waren er wel handdoeken bij elkaar te sparen, of theedoeken tot en met
een hele linnen uitzet aan toe. Mijn moeder had er een speciale lade voor, met
ik weet niet hoeveel boekjes en spaarkaarten en ze hield het nauwkeurig bij als
een goede boekhoudster. Hetgeen dan ook weer regelmatig resulteerde in een of
ander nieuw en gratis apparaat. Vandaag de dag is het eigenlijk niet veel
anders. De te sparen items heten nu bijvoorbeeld: air-miles.
Op internet is het al niet anders en daar wordt bijvoorbeeld de naam
‘parels’ gebruikt, die je dan kunt verzamelen en dus automatisch
spaart als je een of andere reclame leest en nog meer van die dingen kun je
krijgen, als men dan via die site ook iets besteld wordt. Shell en sommige
kleinere benzineverkoopmaatschappijen kennen zelfs nog de ouderwetse
plakzegels. Toen ik in België woonde tankten we benzine bij de SECA en die
gaven zeer solide vorken, messen, lepels en allerhande bestek bij een bepaald
aantal liters en bij elke tankbeurt was het raak. Minstens een vork of
dessertlepel. Terug naar Nederland. BP, Esso en Texaco,
allemaal hebben ze zo hun spaarsysteem. Ik vraag mij wel eens af of er
überhaupt nog wel eens een gewone handdoek of iets dergelijks gewoon in de
winkel verkocht wordt.

Altijd dacht ik dat
zegeltjes en dergelijke iets typisch Nederlands was. In België was en is
dit systeem ook niet bepaald onbekend. Zo herinner ik me nog dat we daar
Fort-zegeltjes (timberkes op z’n Vlaams)
spaarden en zelf was ik er een der fanatiekste in, om juist dié
levensmiddelen te kopen waar het bekende spaarzegeltje op stond afgebeeld. Maar
toen ik eenmaal veelvuldig in de Verenigde Staten kwam, dacht ik dat het daar
wel mee zou vallen en dat systeem van spaarzame kneuterigheid onbekend was.
Mooi niet, het verzamelen van points and bonuspoints
zit ook de Amerikanen in het bloed. De ‘coupons,’ zogenaamde
kortingsbonnen hebben daar al een hele lange geschiedenis en als je ’t
mij vraagt nog een grootse toekomst. Ik denk dat het sparen en het verzamelen
de mensen in het bloed zit en het is meer dan aantoonbaar bewezen ook, dat het
systeem werkt en dat het een prima klanten- of merkbindertje is. Het sparen en
verzamelen is dus van alle tijden. Zelfs mijn cardridge-bijvuller
heeft een systeempje ontwikkeld waarbij ik een stempeltje krijg op mijn
spaarkaart. Bij twintig stempels krijg ik een gratis vulling. Toch weer mooi
een voordeeltje denk ik dan. Typisch Nederlands? Nee dus! Kortom niets nieuws
onder de zon.
Silvia
Videler.
(43) Van voor- en achterkamer naar
doorzonwoning.

De meeste huizen van onze
“Oranjeboompleinbuurt” en dat zelfs ruim gemeten vanaf de Haagweg tot achterin de Oranjeboomstraat zijn gebouwd in de
eerste helft van de vorige eeuw. Wellicht een enkel huis daargelaten en de
Brugflat natuurlijk, doch verder kan men grosso modo met een gerust hart beweren dat de hele wijk
vooroorlogs is.
Dan bedoel ik natuurlijk
de bouw, de architectuur en de indeling van de huizen en niet zozeer de bewoners,
want die zijn nu bijna allemaal van na de oorlog. Een enkeling links of rechts
nog uitgezonderd. Het meest typerende aan de bouw van die woningen die toen als
uiterst modern golden - en dan denk ik met name aan de woningen van de Weerijssingel, de Rubensstraat, de Rembrandtstraat, de
Vincent van Goghstraat enzovoorts - was de ruimte die ze boden gezien die tijd.
Kenmerkend voor deze huizen was en is dat zij in oorsprong allemaal een
voorkamer hadden al of niet voorzien van een erker en een achterkamer. De
totale grootte van de twee kamers samen verschilt niet zo bar veel met de
huidige nieuwbouwwoningen in de zogenaamde flexwijken.
Hét grote verschil is dat deze moderne bouw zich kenmerkt door
één grote woonkamer, ook wel in ‘nieuw’-Nederlands:
de ‘living’ genaamd. De twee kamers, de voor- en achterkamer waren
van oorsprong, net zoals ook in mijn geboortehuis, gescheiden door een stel
schuifdeuren. Al of niet met glas in lood ingelegd en aan beide zijden konden
die deuren dan hun weg vinden als ze opengedaan werden tussen twee kasten in.
Twee kasten in de woonkamer en twee kasten in de voorkamer. Ja, want de
voorkamer werd door de meeste mensen toch wel gezien als de betere kamer, de
ontvangstkamer of de zogenaamde nette kamer. In totaal dus vier kasten, die
standaard in elke woning aanwezig waren, bleken een uitkomst. Drankflessen voor
zover aanwezig, werden in een van de kasten opgeborgen. Het goede servies had
er een ereplaatsje en ook het dagelijkse benodigde linnengoed zoals
tafellakens, servetten en alles wat men niet op de bedden nodig had. Want dat
lag uiteraard in de kamers boven! Veel mensen hebben heden ten dage die kasten
en schuifdeuren eruit gebroken, maar zijn later absoluut tot de ontdekking
moeten komen dat de kamer wis en waarachtig wel groter was geworden, maar de
bergruimte voor allerhande zaken en snuisterijen is in menig gezin echt wel een
probleem geworden.
Nu hadden wij een wel erg
groot huis en een massa aan kasten en andere bergruimtes, maar nog kwam mijn
moeder chronisch bergruimte tekort. Tja, wat wil je als je elk jaar verwacht
dat de Russen binnenvallen of anders de Chinezen wel, dus hamsteren was haar op
het lijf geschreven en dan kom je toch vroeg of laat in knoop met de benodigde
bergruimte. Dus werd er naast de twee reeds bestaande schuren maar een
kolossale bijkeuken bijgebouwd. U raadt het al, ja, klopt helemaal… die
stond dus binnen de kortste keren ook helemaal barstensvol. Je kon er je kont
amper keren. Ik plaagde mijn moeder wel eens dat ze zeker twee oorlogen zomaar
kon overleven. Helaas het was tegen dovenmansoren gezegd, het hamsteren ging
gestaag door. En toch was het gemiddeld huis qua aankleding duidelijk anders
dan heden ten dage. Nu is elke woonkamer toch wel zo ingericht dat het altaar
van de communicatie bij uitstek: de televisie, een dominante dan niet een
ereplaats ingenomen heeft. In menig huiskamer is ook dat andere wereldvenster
de pc te vinden en niet te vergeten de: ‘toren.’ Met daarin alles
wat geluid kan voortbrengen of beelden kan opnemen dan wel kan weergeven. We
zullen het maar software noemen, dat is lekker modern en is een goede
verzamelnaam voor alle platen voor zover nog aanwezig, banden, cd’s,
dvd’s en God mag weten wat voor vernuftige plaatjes, schijfjes en andere
dingen wel niet keurig geëtaleerd liggen in de woonkamer. Mits het maar
beeld of geluid kan weergeven. Natuurlijk ontbreekt de bank in haast geen enkel
gezin aangevuld met een of twee gemakkelijke stoelen en de eethoek. Eethoek?
Dat is een goede naam, want de eethoek is meestal ergens verstopt in een hoek
van de woonkamer of anders in de keuken. Het lijkt heden ten dage wel of de
woonkamer is getransformeerd tot een muziektempel dan wel communicatiecentrum.
Digitaal uiteraard, wat denkt u wel?
In de jaren na de oorlog
was dit toch wel ‘effe’ wat anders. Bij de meeste gezinnen stond de
eettafel, veelal gewoon ‘de tafel’ genoemd, prominent midden in de
achterkamer en daaromheen de benodigde aantal stoelen. Die tafel was het
centrum van de achterkamer. Een dressoir aan de kant met daarop een radio, al
of niet aangesloten op de distributie. U kent het nog wel, die grote zwarte
knop met slechts mogelijkheden om af te stemmen op maximaal vier radiozenders.
Maar die tafel was hét centrum van het huis. Hieraan werd gegeten,
spelletjes werden eraan gespeeld. Zware en diepgaande gesprekken werden eraan
gevoerd. En als er bezoek kwam werden zij aan die tafel uitgenodigd om een en
ander te laten zien of om te schrijven. De voorkamer was voor feestelijke
gebeurtenissen bij veel buurtgenoten in die tijd. Ook daar was het centrum van
de kamer: een tafeltje. Meestal een kleinere en lagere tafel waarop de drankjes
of de kopjes koffie of thee met koekjes stonden. Uiteraard ruim voorzien van
asbakken, want haast iedereen rookte nog. Veel warmte en gezelligheid brachten
de twee haarden, die haast standaard waren in elk huis. Een in de
achter-(eet)kamer en een in de voorkamer. Die waar men at, brandde haast altijd
en die in de voorkamer werd ook bij velen uitgelaten in de winter, de
schuifdeuren lekker dicht zodat er niet te veel warmte verloren ging naar die
koude voorkamer, die toch niet zo vaak werd gebruikt. Die brandende kolen gaven
trouwens niet alleen veel warmte af, maar ook een stukje gezelligheid. Soms kon
de kachel heerlijk ‘snorren’ en dan was het binnen echt behaaglijk
en de avonden werden gevuld met praten soms ook wel kletsen, spelletjes spelen,
naar de radio luisteren. Hoorspelen waren zeker favoriet. Zoals die van Paul
Vlaanderen en ook Ko van Dijk met zijn zware sonore stem was dikwijls de gast bij
ons via het groene oog van de radio.
Vrouwen en meisjes hielden
zich nog bezig met het stoppen van sokken. Het idee dit vandaag de dag nog te
moeten doen! Ook het breien van truien, sokken en borstrokken voor de heren was
een geliefde bezigheid. Maar dat waren dan de noodzakelijke dingen. Andere veel
gepleegde werkzaamheden in de avonduren waren: handwerken zoals borduren en
haken van soms de prachtigste dingen. Huisvlijt ten top! De kinderen maakten
aan tafel hun huiswerk, zeker in de winter want een extra kachel voor
‘boven’ was er bij de meesten niet bij. Kranten werden nog gelezen
en niet alleen de ‘koppen ervan gesneld.’ Velen hadden ook een
boekenkast, soms voor de show, maar toch er werd meer gelezen dan aan de dag
van heden, want al was het maar de leesmap die haast van deur tot deur ging.
Met als toppers de Lach of de Donald Duck. Alhoewel de voorkeur voor het een of
het ander meer aan de leeftijd lag. Volkomen vergeten tijdschriften waren alom
aanwezig en dan denk ik aan de Beatrijs, de Eva, de Katholieke Illustratie, de
Sjors, de Spiegel, alhoewel die protestants was en dus niet zo bekend in onze
buurt. Bij sommigen ook nog de Engelbewaarder, een wel erg Roomsch,
ja mét sch! blad voor de jeugd. Er is wat van
die stichtelijke lectuur geweest en achteraf gezien met verdraaid weinig impact
op de meeste van ons!
Ergerlijk en gruwelijk
waren de buislampen, een goedkope uitvinding voor de burgerman. Een lange
smalle lamp die koud licht gaf. Het enige voordeel was dat je je huiswerk er
goed bij kon maken. Het weliswaar koude, kille licht was wel zo dat je alles
kon zien wat je zei (een vroegere uitdrukking van mijn vader). Gelukkig ging
dat onding bij ons althans uit zodra ik klaar was met mijn huiswerk en dat kon
niet vlug genoeg gebeurd zijn. Want niet alleen aan dat licht had ik een
broertje dood, maar nog meer aan dat huiswerk. Vreemd genoeg mocht je daarna
wel gaan lezen bij de schemerlampen of aan tafel onder de grote lamp, die ook
haast bij een ieder prominent in het midden van de kamer hing. Toch had het
wat, zeker in de wintermaanden. De zware overgordijnen potdicht, de kachel die
‘snorde,’ met spanning luisteren naar de radio en dit af te
wisselen met een goed (plaatjes)-boek en soms een stukje muziek. Vaders rookten
sigaren, dat stond buiten kijf en moderne moeders staken ook al voorzichtig een
Peter Stuyvesantje op al roerende in het kopje thee
of koffie. Drank? Dat werd alleen in het weekend of bij een verjaardagsfeestje
gebruikt. Zomaar aan de borrel en dat elke avond? Wat moesten de buren er wel
niet van zeggen? Ja, wat buren er allemaal wel niet van mogelijk zouden kunnen
zeggen en dat niet alleen van drank(ge)- of misbruik, dat was vroeger
aanmerkelijk van groter belang dan dat het nu is. Men is nu veel en veel meer
individualistisch geworden, dus meer en meer op zichzelf. En ook hier zitten
dan weer goede en kwade kanten aan. Het leven en de mens is een dualis, een
dubbel. Aan alles zitten twee zijden!
Nog even een rondgang door
de rest van de huizen. Naar gelang de grootte van het huis was er een hal, met
een ruime kapstok én paraplubak waar ook eventueel de wandelstokken in
stonden. De trap naar boven was veelal belegd met een loper, vastgehecht met
stalen of koperen roeien. Ook de gang zelf was veelal voorzien van een deurmat bij
de voordeur en dan een loper tot achter aan toe. Tegels aan de muren en dit tot
halverwege, dan was de muur verder bepleisterd en bij sommigen gedrapeerd met
een doek of anderszins een afbeelding. Keukens waren echte keukens, dus zonder
afwasmachine, zonder ijskast, zonder vriezer, zonder magnetron, maar wel met
een groot aanrecht. Bij sommigen had men al een geiser voor koud én warm
water. En men had een gasfornuis, dikwijls een Etna, een vierpitter
met in het midden een waakvlammetje om de koffie warm op te houden! Soms
voorzien met een oven waarin mijn moeder de meest heerlijke taarten en
tulbanden en cakes bakte. Dát deed men veel en veel meer thuis dan dat
men die dingen duur kant-en-klaar kocht. Het gemis van de ijskast werd
ruimschoots goedgemaakt zeker in de wat oudere huizen met een echte kelder.
Sommige van die dingen waren klein, maar er waren en zijn ook nog huizen met
heuse kelders, waar je bij wijze van spreke een
feestje zou kunnen bouwen. Die van ons stond barstensvol met zogenaamde
‘gewekte groenten’ en appelmoes en tevens lag daar de
wintervoorraad aardappelen die men toen kocht bij de een of andere boer voor
maximaal een dubbeltje per kilo. Wat poeder erover, die de boerenbond leverde
(die van de Tramsingel) en allerlei nare aardappelziektes en uitschieten werd
zodoende adequaat voorkomen. Dan had elk huis standaard wel nog een berghok,
meestal verstopt onder de trap of anderszins. Hier stond haast bij iedereen de
benodigdheden voor het zwaardere schoonmaakwerk. Stofzuiger, stoffer en blik,
de zwabber, de ragebol, emmers met dweilen en schoonmaakartikelen waaronder de
Vim, de Lodaline, de chloor enzovoorts.
Als slotstuk nog de
voordeur, een geval apart. Niet zo’n modern ding als nu alom het geval
is, nee, eentje met een deurtje in de deur. Kon je lekker eerst even kijken of
het wel vertrouwd was om open te maken. Alleen die verdomde deuren waren
voorzien van een koperen brievenbus, een koperen deurknop en zo was er trouwens
nog veel meer van koper. En weet u wat ik tegen dat koper had? Neen, geen allergie,
maar je moest dat koper poetsen, elke week opnieuw. Kijk, het was best een
leuke tijd, maar dát had verboden moeten worden om kindertjes dat
verschrikkelijke werk te laten doen. Ik kon het zó goed zei m’n
moeder altijd. Ja ja, aan m’n hoela, kinderarbeid. Dat zou nu bestraft
worden, te vroeg geboren dus? Of toch niet? Kijk over de slaapkamers, daar ga
ik het dus lekker niet over hebben. Het gaat tenslotte over de jaren vijftig en
zestig nietwaar? En daar sprak je
toen toch niet over! Wel?
Silvia
Videler.
(44) Stoeptegels als dominostenen.

Er was eens een moment in
de jaren vijftig dat er nieuwe kabels in de straat moesten worden aangelegd. Voor
de Oranjeboompleinbuurt waren deze allemaal gesitueerd onder het trottoir. Als
ze tegenwoordig sleuven gaan graven ter plaatse van de stoep, dan beginnen ze
meestal op een maandag en zorgen er dan voor, dat vóór de
zaterdag het hele zaakje weer af is. Doch in de vijftiger jaren werd dat
allemaal nog niet zo goed gepland. Tegen het eind van de week gingen ze de
stoep openbreken. Ze pakten het gelijk grootschalig aan. De hele Rubensstraat,
Oranjeboomplein, het stuk Oranjeboomstraat en de Verlaatstraat, dus precies de
hele blok werd ontdaan van ’n hele lange strook stoeptegels. Ik weet ook
nog, toen al deze tegels waren verwijderd, althans naast de sleuven gelegd, dat
men toen ook alvast begon met kuilen te graven. Tegenwoordig hebben ze er zo’n
mooie graafmachine voor, die al het zand tot een bepaalde diepte eruit haalt.
Doch in die tijd werd dat nog gewoon door een aantal grondwerkers er met een
schop uitgehaald. Ook zaterdagochtend werd hier toen nog aan gewerkt. Immers,
een vijfdaagse werkweek bestond toen nog niet. Vanaf zaterdagmiddag tot maandag
waren ze dan vrij. Het hele weekend lagen toen de stoepen opengebroken. Ja, nou
kun je wel nagaan, dat werd dus feest voor de jeugd uit onze buurt. Ten eerste
de hele kleintjes hadden het hele weekend een ‘zandbak’ voor de
deur en konden toen naar hartelust daarin spelen. Het
was ook nog geel zand en daar werd je niet zo vuil van. Bovendien dat gele zand
was juist ideaal om zandkastelen van te bouwen. Maar de wat oudere kinderen
gingen dan met de stoeptegels een fort maken. Best wel een beetje link
natuurlijk, maar werden door de ouders toch wel min of meer in de gaten
gehouden. Het gebeurde toch allemaal voor de deur.

Ja hoor, toen kwam Frans
van Noort met een lumineus idee. Zoals gewoonlijk waren wij toch bij hem in de
buurt en hij opperde het idee om al die stoeptegels op zijn kant te gaan
zetten. Zodra dit gebeurd zou zijn, was het de bedoeling een eerste tegel om te
gooien en zodoende kreeg je dan een kettingreactie, waarbij dan alle tegels die
waren opgesteld, in de vier voornoemde straten, zouden gaan omvallen. Het
zogenaamde domino-effect zeg maar. Zou Frans van Noort niet de uitvinder
geweest kunnen zijn van dat domino-effect? Het zou best wel eens kunnen. We
waren zeker wel met een man of twintig bij elkaar en ieder van ons droeg zijn
‘steentje’ bij. Maar je moest de tegels natuurlijk wel goed op zijn
kant zetten, want ze vielen toch wel snel om en dan moest je weer helemaal opnieuw
beginnen. Het duurde vrij lang om ze allemaal op zijn kant te krijgen. Ten
eerste de tegels waren best wel zwaar en er waren altijd wel kinderen die
‘roet in het eten gooiden’ om stiekem toch een tegel om te gooien
en dan was alles weer voor niks. Zowat de hele zondag zijn we toen bezig
geweest om ze allemaal op een rij proberen te krijgen. Uiteindelijk is het toch
niet gelukt, want steeds was er weer iemand die leuk dacht te zijn en weer maar
eens ’n tegel omgooide. In principe was het natuurlijk een vrij
onschuldig vergrijp, maar zodoende mislukte toch helaas het plan. Wel lukte het
’n keer om ’n hele rij opgesteld te krijgen, precies van de winkel
van Van Gool tot de Kock aan toe. Dat was best een
prachtig gezicht om die stenen een voor een te zien omvallen en daarna vonden
we het welletjes. Toen zijn we ook maar een fort van stenen gaan bouwen en de
rest ging in het zand spelen.
Toen ’s maandags de
werklui weer verder wilden gaan, zagen ze tot hun verbazing dat al het
uitgegraven zand min of meer was verdwenen en over een groot gebied verspreid
lag tot over de straat zelfs aan toe en moesten ze enkele vrachtwagens laten
aanrukken met nieuw zand. Eigen schuld, dan hadden ze maar niet op een vrijdag
moeten beginnen!
Kees
Wittenbols.
(45) Tjonge jonge, wat stonken die
beerputten vroeger.

De al wat ouderen moeten
ze ongetwijfeld nog wel kennen: de beerputten! Ik weet nog goed dat wij achter
ons huis in de Oranjeboomstraat ook een dergelijke put hadden. Die put lag
ongeveer vijf tot zes meter achter het huis en werd slechts eens per twee of
drie jaar opengemaakt om leeggezogen te worden. Het deksel van de put lag best
diep onder het zand. Dus dat openmaken gaf nog heel wat werk. Eerst moest de
zandlaag van ongeveer een centimeter of tachtig worden afgegraven en dan pas
kwam het stenen deksel tevoorschijn. Dat was werk wat de bewoners zelf moesten
doen. Dat deden de mannen van de poep- of ‘stront’-wagen niet voor
je. Een ‘stront’-wagen van de gemeente kwam dan (op afspraak)
voorrijden en via de hal, gang en keuken werden grote dikke stukken slang aan
elkaar gekoppeld tot aan de put toe. De wagen was voorzien van een motor
(mechanisme), waarmee de zuigkracht in werking werd gesteld en binnen een
uurtje of zo had men dan de vele meters diepe beerput leeggemaakt. Maar
hemeltje lief, wat een onbeschrijfelijke stank bracht dat met zich mee. Volgens
mijn geheugen bleef die stank wel een hele dag hangen en was nergens mee weg te
krijgen. Als men begon met zuigen kon je de oppervlakte van de smurrie in de
put heel langzaam zien zakken. Eer een dergelijke put vol was gingen er toch
wel een paar jaar overheen. Dat lag er natuurlijk ook aan of je een grote put
had dan wel een kleinere. Maar ik weet nog goed dat het voor mijn moeder een
ramp was als de dag naderde dat de beerput geleegd zou gaan worden. De
‘putjesscheppers’ zoals de mannen werden genoemd, die op deze
strontkarren reden en door middel van de slangen de putten her en der leegden,
waren natuurlijk niet al te proper en mijn moeder had het niet meer als bij het
afkoppelen en het opruimen van de slangen er wel eens wat geknoeid werd.
Gelukkig was de gang voorzien van een stenen ondergrond en kon de loper, de
gangloper, eerst worden opgerold en weggenomen. Zodat het opruimen en
schoonmaken zonder al te veel problemen kon plaatshebben.

Zij zorgde dan ook altijd
goed voor deze mannen wat betreft koffie, koekjes en andere lekkernijen,
waarschijnlijk alleen maar in de hoop dat ze bij het opruimen zeer voorzichtig
te werk zouden gaan. En zag er ondertussen angstvallig op toe dat ze niet op
stoelen of iets dergelijks gingen zitten die gestoffeerd waren. Als klein kind
werd ik wel eens geplaagd door een van die mannen die dergelijke klussen diende
te klaren en een van hen waarschuwde mij ervoor om er toch vooral niet in te
vallen. Waarop hij dan een - naar ik nu denk - beslist gefantaseerd verhaal
deed, van een te nieuwsgierig kind die volgens hem in zo een vieze put was
gevallen. Met groot genoegen wist de man te vertellen, dat het kind weken later
na de redding nog zó erg stonk, dat je amper bij het kind in de buurt
kon komen. Dit verhaal heeft mij nog jaren achtervolgd als hét ultieme
schrikbeeld wat een mens (lees: kind) zou kunnen overkomen. Het exacte jaartal
is me ontschoten, maar opeens lag de straat vol met grote holle dingen die in
elkaar pasten. Dat bleken de rioolbuizen (gangenstelsel) te zijn, want het werd
de hoogste tijd dat ook de Oranjeboomstraat zou worden aangesloten op het
rioolstelsel. Dat deze open en toen even op de straat losliggende hoge stenen
holle buizen een ideaal stukje speelgoed opleverde, bijvoorbeeld voor het
spelen van verstoppertje, zal niemand verbazen. Zoals gezegd, het juiste
jaartal ben ik kwijt, maar het zal eind jaren vijftig of begin jaren zestig van
de vorige eeuw geweest zijn. Eigenlijk ben ik erg benieuwd naar wat er gebeurd
is met al die beerputten. Want natuurlijk waren wij niet de enigen die een
dergelijk stinkend geval hadden in de tuin. Alle buren hadden er uiteraard ook
een en ze stonken overigens allemaal even erg. Wat dát betrof was er dus
geen verschil. Wat er met ‘onze’ put gebeurd is weet ik niet. Wilde
men dat ding opvullen dan moest er toch minimaal vijf kubieke meter zand of een
ander soort opvulling aan te pas gekomen zijn. Bij mijn weten is dat tot op de
dag van onze verhuizing vele jaren later, nimmer gebeurd. En wat voor praktisch
nut zo’n beerput heden ten dage nog kan opleveren? Ik kan het me niet
bedenken.
Silvia
Videler.
(46) Schipper naast Mathilde.
Vlaamse televisieserie uit de jaren 50-60.

Muisstil was het gedurende
die paar maanden per jaar, wanneer de toenmalige Belgische televisie, de BRT,
de immense populaire (soap) serie uitzond, die de meeste van ons nog wel kennen
als “Schipper naast Mathilde.”
Het was een volkse
vertolking, in dialect (Algemeen beschaafd Antwaarps),
dat kwam er nog het dichtst bij in de buurt. Het gaf de prachtige verhalen weer
van de gepensioneerde schipper Matthias, die samen met zijn zus Mathilde (Mathilleke) en Marianneke, een
aangenomen dochter, een niet alledaags gezin vormde. Later werd dit
‘gezin’ nog uitgebreid met Marieke, een weesmeisje. Naast dit op
zich al merkwaardige gezin waren er de beruchte drie vrienden. Die de prachtige
karakters vertolkten van de vaste vrienden van de hoofdrolspeler Schipper
Matthias. Dat waren: de onnavolgbare Sander, die in deze serie een niet al te
bijster slimme rol vervulde. De immer in ‘n zwart pak geklede Philidoor, die vooral uitblonk in stotteren en in zijn
toebedeelde rol slechts een heel klein beetje meer grijze hersencellen had dan
Sander. En als derde figuur had je dan de steeds zeer grammaticaal fout Frans
sprekende Hyppoliet, die overigens ondanks zijn
vermeende kennis van de Franse taal niet erg veel snuggerder was dan de twee
andere vrienden. Typerend was in de serie, dat geen van de spelers gehuwd
bleek, althans niet in het verhaal. Een andere hoofdrol was weggelegd voor de
‘ampetante’ buurvrouw Madam Krielemans, die zich overal mee bemoeide waar ze zich beter
niet mee kon bemoeien en die dé nagel was aan de doodskist van de enige
echte intelligente speler: Schipper Matthias, maar Mathilleke
was de hartsvriendin van Madame Krielemans en dit
leverde dan de prachtigste staaltjes van loyaliteit én ruzie op tussen
de immer mopperende Mathilleke en de slimme Schipper,
haar broer. De serie is begonnen op 10 mei 1955 en heeft gelopen tot 19 juli
1963 en in totaal zijn er 185 afleveringen de lucht ingegaan. Dit laatste
bedoel ik dan letterlijk, want er zijn slechts een negental afleveringen op
band bewaard gebleven, helaas! Maar aan de andere kant mogen we blij zijn dat
deze bewaard gebleven afleveringen onlangs op dvd zijn gezet, zodat het
nageslacht ook nog eens kan genieten van deze ongekende populaire én
nostalgische serie (deze zijn verkrijgbaar bij Free records voor 19,95 euro,
alhoewel ik ook al prijzen heb horen verluiden van 24,95 euro). Maar dan heb je
ook alle negen nog bestaande afleveringen met onder andere een kerstfeest en de
Tour de France! Hoofdrolspeler was Schipper Matthias, gespeeld door Nand Buyl, die nog immer actief
is in het radio en tv-wereldje van Vlaanderen. De andere rollen werden vertolkt
door: Jetje Cabanier (Mathilde), Chris Lomme (Marieke), Francine de Weerdt
(Marianneke), Tuur Bouchez
(Philidoor), Jan Reussens (Sander), René
Peeters (Hyppoliet)
en last but not least: Josée Puissant, die de rol van Madam Krielemans speelde. Vlamingen zijn sowieso toch al goed in
toneel- en filmproducties van eigen bodem en al helemaal als ze echt de volkse
en daardoor zo typerende volksaard moeten vertolken. Feit was, zoals ik al
begon te stellen aan het begin van dit artikeltje, dat de serie ongekend
populair was, bij jong en oud, ook in onze, lees: Brabantse omgeving. Want de
toenmalige Vlaamse tv was alleen nog maar per antenne te ontvangen, dus het
bereik was beperkt. Familie of vrienden van ons van boven de Moerdijk begrepen
echt nimmer wat wij bedoelden, als we een der spelers van deze serie imiteerde
of citeerde. Mede door deze voor hen niet te bereiken Belgische televisie
werden wij door hen dan ook al als halve Belgen betiteld, hetgeen ik
persoonlijk eerder een Geuzennaam vond dan een spotnaam. Maar dat
‘effe’ terzijde! Wel moet ik u waarschuwen dat de beeldopname via
deze dvd niet van de kwaliteit is die u gewend bent van een dvd, maar de
ongekende Vlaamse humor en satire is dan toch nog, zij het gedeeltelijk,
bewaard gebleven.
Silvia
Videler.
(47) De Oosterstraat.

Hoewel de Oosterstraat een
zijstraat van de Oranjeboomstraat is en slechts zo’n 100 meter van ons
ouderlijk huis was verwijderd, weet ik hier toch maar weinig over te vertellen.
Doch, enkele dingen weet ik nog wel. Allereerst geef ik mijn indruk over deze
straat zoals ik deze zag in mijn kindertijd. Je zou het kunnen vergelijken met
een wal rondom een burcht. Waarbij de burcht (het Westeinde) een nest was van
‘narigheden’ en de wal (Oosterstraat) een soort van veilige omgang.
Als kind had ik angst om waar dan ook in het Westeinde te komen en ik ben niet
de enige. De Oosterstraat durfde ik wel in en keek dan altijd met een soort van
benauwdheid de Amstelstraat en Rijnstraat in, alszijnde
het een gebied moest zijn, waar overlevingskansen wel heel erg klein waren. Uit
andere verhalen - ook gepubliceerd - is het een en ander wel duidelijk
geworden, dacht ik zo.
Maar goed, Jantje van Duuren had op de hoek van de Oranjeboomstraat en
Oosterstraat zijn oud papier- en oudijzeropslag. Het
hele stuk tussen de Oranjeboomstraat en Amstelstraat lag vol met rommel en was
afgescheiden d.m.v. op z’n kant gezette ijzeren platen, die langs elkaar
geschoven waren en sommigen daarvan waren reeds door-en-door verroest. Ze
stonden dan ook bol door al dat spul dat daar tegenaan drukte. Het was niet alleen
een vergaarplaats van ouwe troep, maar je zag ook regelmatig ongedierte
rondkruipen, zoals muizen en ratten (zelf gezien!). Het was voor de
Oosterstraat een hele vooruitgang dat Jantje van Duuren
met z’n zaakje stopte. Ik meen te herinneren dat Koos als laatste
‘de scepter’ zwaaide over dit bedrijfje. Koos was de zoon van Jan(tje) en deze had ook nog een zus Ria en een jonger broertje
Jantje. Jantje was nogal klein van stuk. Toen hij de volwassen leeftijd had
bereikt was hij nog maar amper 1,50 meter groot. Jantje was overigens weer een
vriendje van een jongere broer (Mario) van mij, die helaas voor z’n
veertigste aan een hartinfarct is overleden.
Aan de overkant van Jantje
van Duuren had je de Sperwerwinkel van v.d.
Maagdenberg. Een hele drukke winkel, waarbij alle kinderen flink mee moesten
werken, om de zaak goed draaiende te houden. Ik kan alle kinderen nog goed voor
de geest halen. Ook nog de heer en mevrouw v.d. Maagdenberg. Ton en Leo hebben
nog bij mij in de klas gezeten. Ton ben ik later nog wel eens tegengekomen als
bedrijfsleider van de Primarkt aan de Terheijdenseweg. Boven de zaak woonde toen Miets van Nijnatten, die was
getrouwd met ene van Rumund. Zij wonen nog steeds in
de buurt en wel in de Oranjeboomstraat op nummer 72. Een klein stukje verder woonde
de familie van Tooren. Ik kan mevrouw van Tooren nog wel goed voor de geest halen. Zeker ook haar
zonen Toon en Peter. Toon was vrij groot en wel tegen de twee meter lang dacht
ik. Toon zat nog bij mijn broer John in de klas (zie de schoolfoto’s op de
site van de Oranjeboompleinbuurt). Peter zat nog bij mij in de klas op de
lagere school. Peter had ook een neef (ook Peter van Tooren)
van dezelfde leeftijd, die daar ook wel ergens in de buurt moest wonen en had
spierwit haar. Ik weet ook nog toen mijn tante Rika op hoge leeftijd was
overleden, mevrouw van Tooren in dat huis is gaan
wonen, vlakbij, in de Oranjeboomstraat, enkele huizen verwijderd van de bazaar
van Jacobs.
Weer een stukje verderop
had je de groentezaak van v. Peer. Wij kochten daar altijd onze aardappelen,
want ze hadden een aardappelschrapmachine in de winkel staan. Ik vond dat
altijd prachtig om naar te kijken als ze daar de hoeveelheid bestelde
aardappelen indeden, het apparaat aanzetten en begon te schrappen onder een
hels kabaal. Binnen een minuut kwamen ze er dan kant-en-klaar geschrapt uit. Je
hoefde dan thuis nog slechts de pitten te verwijderen en waren dan klaar voor
het koken. Dat schrappen kostte maar enkele centen extra, dus dat was wel te
doen. Mevrouw v. Peer was ook een zeer spraakzame persoonlijkheid, zoals
zovelen in die tijd. En de heer van Peer (hij had een iet-wat
gekromde rug) werkte zich ook de hele dag ‘te pletter.’ Bij van
Peer hadden ze ook kinderen van ongeveer mijn leeftijd. Ik weet niet of ze daar
ook meisjes hadden, maar de jongens ken ik wel. Overigens, Jack heeft nog bij
mij in de klas gezeten. Nog een klein stukje verder de straat in, aan dezelfde
kant, had je de firma Reesink zitten. Deze handelde in bloemen en planten.
Zover ik weet was het best een goedlopend bedrijf. Het bruiste daar altijd van
de activiteiten. Het enige wat ik nog verder weet dat ze een zoon hadden die
nog bij mijn oudste broer (Martien) in de klas heeft gezeten en zou dan
ongeveer uit 1938 moeten zijn. Aan de overkant, in dat rijtje lage woningen,
ken ik nog de familie Haneveer. Zij hadden onder
andere een tweeling, die beiden in een lager elftal van NAC voetbalden.
Uiteraard gingen ze steeds samen in hun voetbaltenue op de fiets naar de
Beatrixstraat toe. Ze hadden altijd een eigen lederen voetbal bij zich. Juist
doordat ze een tweeling waren viel dat sterk op en kan me dat dan ook nog goed
herinneren. Ook in dat rijtje woonde een familie v.d. Velden. Ze hadden een
zoon (Piet), die naar mijn indruk enigszins een geestelijke handicap had.
Althans dat straalde hij mijns inziens wel ’n beetje uit. Ik weet ook dat
hij op de Sint Janschool zat in de Verbeetenstraat. Ook hij heeft bij mijn oudste broer in de
klas gezeten en was ook ongeveer uit 1938. Doch als ik me goed herinner is hij
enkele jaren geleden overleden. Verder kan ik nog herinneren dat ze de huizen
rond de Arubastraat aan het bouwen waren. Toen deze klaar waren gebruikten we
deze huizen ter afwisseling wel eens als doorgang naar de Lourdesschool.
Op latere leeftijd toen ik
reeds kinderen had, reed ik met mijn fiets vaak door de Oosterstraat, met mijn
zoon achterop naar zwembad De Spetter, hij zat daar op zwemles en ik zag dan
altijd diverse bekende personen uit het Westeinde al
‘samenscholend’ daar in de buurt staan. Doch hun waren ook reeds
jaren volwassen en zag aan hun blik dat zij mij wellicht nog wel herkende uit
vroegere tijden. Maar mijn ‘bangheid’ voor hun was allang
verdwenen! Verder meen ik nog te herinneren dat Joop Broeken in de Oosterstraat
woonde. Hij staat afgebeeld op de foto Koorknapen, ook op de site van de
Oranjeboompleinbuurt. Ik heb nog even goed nagedacht of ik verder nog iets kon
herinneren. Maar dit is echt alles. Ik hoop toch dat ik Ton en Joanda - min of meer op hun verzoek - hier een plezier mee
heb gedaan. Het kan natuurlijk best zijn dat het een en ander weer te binnen
schiet. Daar zal ik dan zeker wel ‘n keer vermelding van maken.
Kees
Wittenbols.
(48) Recycling, vroeger en
nú.

Wat worden we belazerd en
wat worden we bedonderd! Tot die conclusie kan en moet ik welhaast komen nadat
ik onder andere het artikel van Kees Wittenbols weer ‘ns nagelezen had,
over wat er vroeger allemaal zoal aan de deur kwam. Laten we de voorbeelden eens
op een rijtje zetten: de schillenboer. Een welhaast volkomen verdwenen fenomeen
uit het straatbeeld. Hij kwam vroeger wekelijks op gezette tijden u verlossen
van aardappelschillen en groenteafval. De schillenboer verkocht dit dan weer
aan boeren door, als zijnde varkensvoer en hield er tenminste nog een centje
aan over. Rijk zullen ze het niet gehad hebben, maar ze konden in ieder geval
voorzien in hun eigen levensonderhoud. Heden ten dage is de schillenboer
vervangen door een groencontainer, waarvoor de nodige kosten bij ú in
rekening worden gebracht. De bullenboer, ook zo’n typisch verschijnsel in
die jaren. Met een bakfiets kwamen ze door de wijk, eveneens op gezette tijden
en u kon hen uw oude of overtollige kleding en textiel meegeven. Wat zeg ik? U
werd er zelfs voor betaald. Wel geen kapitalen, neen, dat ging per gewicht.
Maar u kreeg er tenminste nog iets voor terug en hij, de bullenboer, had er
zijn bestaan van. Heden ten dage gaat het anders. Bij diverse winkelcentra ziet
u grote containers, of liever gezegd bakken staan met een of ander woord erop
wat suggereert dat de inhoud naar Humanitas gaat.
Fout, helemaal fout. Deze inzameling wordt georganiseerd door een landelijk
bedrijf en deze kleding wordt grotendeels verkocht aan handelaren in ondermeer Roemenië en Bulgarije en meer van die
voormalige Oostbloklanden. Geloof me, het is ‘big business.’ Er
gaan kapitalen in om. U denkt dat het goed terecht komt en van u wordt nog eens
gevraagd om hiervoor de nodige moeite te doen. U moet het tenslotte brengen bij
die ‘bakken.’ Maar noch de oude bullenboer noch uzelf krijgt er ook
maar één cent van te zien.
Oud Papier! Zelf heb ik er
nog aan meegeholpen. Dat ophalen van oud papier. Want je kreeg er vijf, zes en
soms wel meer centen per kilo voor. Je had legio keus in onze buurt, waar en
bij wie je het wilde inleveren. Voor menigeen een attractieve bijverdienste
én de rommel vond z’n weg naar de recycling. Heden ten dage mag je
al blij zijn als er al een vereniging is die genoeg vrijwilligers op de been weet
te brengen om het oud papier op te halen. Anders zijn er van gemeentewege
containers links en rechts voor geplaatst. Maar u, of liever gezegd uw kinderen
kunnen er in ieder geval geen eerlijke zakcent meer mee verdienen. Oud ijzer,
koper, lood en zink. Metalen die maar wat graag werden ingenomen door de vele
handelaren die ook in onze buurt alom vertegenwoordigd waren. Een loodzware
wasmachine bracht nog wel zeven en een halve gulden op en ze kwamen het ding
nog ophalen ook. U de rotzooi kwijt en een extraatje toe. Nú, heden ten
dage? U betaalt al bij de aankoop, in het vooruit een verwijderingsbijdrage en
probeer maar eens een oude wasmachine, koelkast of iets dergelijks legaal kwijt
te raken. Alleen de moeite al!
Zilverpapier, of het nou
doppen waren van de melkflessen, het zilverpapier van de chocoladerepen of
anderszins. Meestal werd dat wel
gespaard voor een of ander goed doel via de school, kerk of de een of andere
vereniging. Kortom er waren mensen die er weg mee wisten en er toch een goed
doel mee wisten te steunen. Wat wordt er nu mee gedaan? Niemand weet het!
Toegegeven, melkdoppen zijn uit de tijd. Maar zilverpapier kom je nog wel
degelijk regelmatig tegen in de verpakkingsindustrie. Botte messen en scharen!
Wat deed u er vroeger mee? Simpel, om de zoveel tijd kwam er wel een
scharensliep in de straat, die dank zij een grote slijpsteen die bevestigd was
op zijn vervoermiddel, uw messen en ander gerief weer als nieuw maakte. Volkomen verdwenen deze types, zo ook
hun slijpstenen. De Hema en Blokker hebben nog een aantal jaren geprobeerd u
een al of niet automatische slijpmachine te verkopen, maar ook die dingen tref
je welhaast nergens meer aan. Weggooien is het parool en nieuwe kopen. Zo zijn
er beslist nog wel meer voorbeelden te geven. Denk maar aan uw oude meubeltjes
of andere gebruiksvoorwerpen. Als u niet de moeite neemt om á raison van
pakweg 35 euro staangeld een dag op te offeren om die rommel via een
vlooienmarkt kwijt te raken, dan bent u aangewezen op de kringloopwinkel. Dan
mag u in uw handen klappen als ze het gratis komen ophalen. Maar meestal redt u
dat niet en kost het nog geld ook. Vroeger kon je al die oude
gebruiksvoorwerpen of meubeltjes in diverse winkeltjes kwijt en kreeg je er in
veel gevallen nog wat voor. Maar je hoefde er tenminste nooit iets op toe te
leggen zoals nu het geval is.
Conclusie en moraal: velen
mensen zijn dank zij de ‘moderne’ tijd hun baantje of bijbaantje
kwijtgeraakt. Veel contacten en daardoor ook (niet bemoeizuchtige) sociale
controle is voorgoed verdwenen. Velen, met name kinderen zijn van hun
bijverdienste beroofd. U, als eindgebruiker, consument of gewone burger wordt
in ieder geval op kosten gejaagd. Zie de voorbeelden die ik gegeven heb. En een
enkeling, naar verhouding, wordt er slapende rijk van. Want recycling is
‘big business’ en ú bent degene die het nog eens financiert
ook. Niet alle vooruitgang is verbetering!
Silvia
Videler.
(49) De jeugd van tegenwoordig?
Laat me niet lachen… ‘watjes’ zijn het!

Zelden zal ik meer
genoegen hebben gehad aan het schrijven van een artikel als dit stukje vermeend
proza. Aanleiding hiertoe is een gesprek wat ik onlangs gevoerd heb met een
puber, u kent ze wel. De striemen van de luiers staan nog afgedrukt in het
vlees van hun kont. Ze proberen je te overtroeven met allerlei mogelijke
digitale, muzikale en niet ter zake doende Engelse terminologie. Ze zijn stoer,
sterk, verbaal onverslaanbaar, gezond, fit, ze zijn op de toekomst voorbereid,
uitermate intelligent enzovoorts. Althans dat denken ze. “Ha ha.” Wij, de babyboomers, zoals Pim Fortuyn onze
generatie benoemde, dat is dé generatie die zich de
‘laatste’ mogen noemen. Samen met de generatie vóór
ons, die van onze ouders. Die generatie heeft de overgang nog meegemaakt van
stoom naar stroom. Van paardentram naar sneltrein. Van Omnibus naar
straaljager. Van olielamp naar spaarlamp. Van tamtam (plaatselijke krant) naar
radio, tv en internet. Die generatie wist wat afzien was. Twee wereldoorlogen
meegemaakt, crisisjaren én opbouw.
En wij, de babyboomers?
Wij gingen naar school en zaten met veertig, vijftig man in één
klas. Zeuren daarover? Kwam niet in ons op! De leraar of de juffrouw sprak je
met “u” aan en niet met Kees-Jan of Lullo. Wij, de babyboomers zijn
ook veel meer gehard dan die watjes van tegenwoordig. We speelden met asbest in
plaats van je als ruimtevaarder om te kleden om dat spul te verwijderen. Wij
waren gelukkig om achter op de fiets bij vader te mogen meerijden op een stalen
bagagedrager en de enige mogelijkheid om je vast te houden waren de stalen
veren van het zadel, waar je vader met z’n al of niet dikke kont opzat.
Wij hoefden niet beschermd te worden met butsmutsen (valhelmen) als we op een
motor, bromfiets of fiets zaten. Op onze levensmiddelen stond geen datum
afgedrukt wanneer onze maagjes er niet meer tegen zouden kunnen, als de inhoud
wat ouder was geworden. Als het niet goed was kotsten we ’t gewoon uit.
Wij hadden niet zonodig een speciaal
ambtenarenapparaat, wat zeg ik? Een heel ministerie nodig om ons bezig te
houden. Dat deden we zelf wel. Toegegeven, het woord subsidie kenden we amper,
we kwamen zelf wel aan de kost. Op de wijkagent na, maar voor de politie hadden
we respect en als die ons iets wilde bijbrengen - en ze hadden daar ook zo hun
methodes voor die weinig geld kostte - ons veel inzicht bijbrachten en waarvoor
later geen commissies en subcommissies in het leven diende te worden geroepen,
om een en ander uit te zoeken.
Een jeugdige van
tegenwoordig zonder gsm (mobiele telefoon) is een ‘outcast en nono!’ Wij trokken ons plan en kwamen thuis tegen
etenstijd. Geen problemen, niemand wist echt waar je zat en wat je uitvrat. Wij
logen dus ook veel minder! Als we ruzie hadden sloegen we mekaar op de bek.
Kostte wel eens een tandje of zo, maar van letselschade-advocaten
hadden we nog nooit gehoord. We gingen mekaar toch niet voor de rechter slepen?
Dat deed je toch niet! ’t Idee! Afspraken maken, ook zóiets deed
je amper. Als je zin had iemand te zien ging je erheen. No-nonsense, geen
belletje of zoiets of een sms-je of het wel past?
Onze lichamen konden tegen van alles. Vallen, schrammen, schaafwonden, daarvoor
ging je zelfs niet terug naar huis. All in the game! In bossen en parken ging je gewoon spelen, ravotten
en leuke dingen doen. Viezeriken en pedo’s? Naar mijn gevoel kwamen die
echt pas jaren later. Dan dat geouwehoer over kleding en schoenen van merk zus
of zo, om elkaar mee de ogen uit te steken? Die van je oudere broer of zus
paste toch ook weer? Aanbellen bij bekenden? Ben je gek! Touwtje hing wel uit
de brievenbus, wel zo gemakkelijk! Anders ging je toch achterom! Wij werden
nergens dik, vet of vadsig van. Wij vraten alles. Frites met heel veel
mayonaise, drie borden vol! Zout? Kostte toen ook al bijna niks! Op school werd
je met rust gelaten, mits je je huis- en strafwerk had gemaakt. Niks geen
therapeuten of allerlei zielenknijpers.
Groenten werd dan wel
gewassen maar (gestolen) fruit at je gewoon op en nooit hoorde we van iemand
die er ziek van werd. Afstanden overbruggen deed je te voet of met de fiets, nu
hebben de ‘watjes’ echt wel een computergestuurde scooter nodig.
Want hun lichamelijke conditie kan het echt niet meer opbrengen om te lopen.
Ook naar school gaan deed je zelf, het halen en brengen dat wilde je toch niet?
Dat is voor de ‘watjes’ van deze generatie. Speelgoed, tja, een
precair onderwerp. We hadden geen playmobiles, nintendo’s of draagbare dvd’s. Pedagogisch,
verantwoord uitgekiend speelgoed? Laat me niet lachen. Als we geen kapitaalkrachtige
ouders hadden, sneden we zelf wel onze wapens uit ’t afvalhout. Wij
konden allemaal sleeën, glijden, schaatsen en wat zoal niet meer. En dat
zonder dat gecertificeerde goedbedoelende ‘halve zolen’ ons dat
leerden. Als we ruzie hadden met iemand dan sloeg je er op los, daar kwamen
geen logen en listen aan te pas. En als de ouders er al van hoorden, hadden die
nog ruzie terwijl wij het onder elkaar alweer bijgelegd hadden. Een psychiater,
die had je nodig als je echt gek was en een dokter daar kwam je zo min
mogelijk!
En dit alles zo eens op
een rijtje zettende, dan mag je toch tot de conclusie komen dat de vorige
generatie - onze ouders - én de generatie van de babyboomers, de meest
flexibele, aangepaste, getalenteerde, geharde en no-nonsense generaties waren
die er überhaupt geweest zijn. Teveel gezegd? Helemaal niet. Die lui in de
Romeinse tijd konden zich net zo hard verplaatsen als een paard kon lopen. Rond
1200, dus in de middeleeuwen was daar nog niks aan veranderd. En ruim zes eeuwen
later nog niet. En als men 2000 jaar geleden zonder olie zat, wel, dan was het
donker en dat was nog geen honderd jaar geleden evenzo! Al met al genoeg om
trots op te zijn. Dames en heren leeftijdgenoten, laat u dus niet ondersneeuwen
door die van scooters, x-boxen en nike’s
voorziene ‘luxe paardjes’ van heden ten dage. Ik ben benieuwd wat
ze nog gaan presteren. Maar de hoop is nog niet opgegeven. Ze hebben al een
nieuw danspasje geleerd, c.q. geïntroduceerd en hebben zowaar een eigen
communicatie, annex sms-taaltje gecreëerd. Dus wie weet. Eigenlijk mag je
stellen dat al dat spul van vóór 1970 “eeeehhhh…”
watjes zijn? Benieuwd of zo’n ‘nieuwlichter’ hierop leuk weet
te reageren. Wel in het Nederlands hoor, zodat de ‘oudjes’ het ook
nog kunnen lezen.
Silvia
Videler.
Voor deel 2B: klik
hierop