Personeel gevraagd:
RECHERCHEURS.
Alleen deftige en serieuze gegadigden.
Zo stond het te lezen in
een Belgische gazet van vorige week.
Jef en zijne maat Polleke, al jaren werkeloos en natuurlijk aan d’n dop, zagen het wel zitten. Veel koffie zitten drinken, nie hard ploeteren, ’n goeie pree, hier en daar ’s ne gedag
gaan zeggen en een schoone automobiel erbij. En nooit
geene bang meer ebben om door de gendarmes gepakt te
worden meei ’n pintje of wat teveel op. Samen gingen
ze zich moed indrinken bij hun vaste staminee als goede voorbereiding op de
sollicitatie. In hun stamcafeeke aangekomen lazen ze de advertentie nog eens
goed door. Daar stond in kleine lettertjes bij te lezen: gezien de uitoefening
van de functie zich grotendeels in het grensgebied met Nederland zal
plaatsvinden, wordt van de kandidaten ook gevraagd goed op de hoogte te zijn
met de Nederlandse normen, waarden en gewoontes.
Ai, daar hadden ze niet op
gerekend en de beide vrienden dachten er nog eens goed over na.
Maar na enkele pintjes was het besluit toch
genomen.
Op naar het bureel van de commissaris.
De commissaris was maar
wat blij dat er twee gegadigden zich kwamen melden.
Het personeelstekort was dan ook gigantisch.
Hij zei tegen Jef en Polleke
dat alles wel goe zou gaan, want ’t examen zou éél gemakkelijk zijn.
De eerste vraag was
inderdaad gemakkelijk:
“Wie is de koningin van Nederland?”
Beide vrienden wisten
onafhankelijk van elkaar dat dit Beatrix was.
Ook de tweede vraag was
redelijk te doen: het was een multiple choice vraag
die luidde:
“Behoort Koningin Beatrix
tot het huis van de Wit of tot het huis van Oranje, of tot het huis van Geel?”
Ook deze vraag werd door
beide rechercheurs in spee goed beantwoord.
Toen kwam de derde vraag:
“Wie is de moordenaar van Willem van Oranje?”
Dit lezende werden de
beiden vrienden serieus ampetant, dus een beetje
kriegel.
En zeiden tegen de
commissaris:
“Awel, commissaris, da’s nie
eerlijk eh, nog geen half uur in dienst en gelijk een moord moeten oplossen.”
“Ge zie maar! Wij gaan ’n pint vatten.”