HBM - Rijswijk*
Mijn volgende werkplek werd de HBM (Hollandse Beton
Maatschappij) in Rijswijk. Het kantoor stond een stukje achter het winkelcentrum
en was best wel een groot gebouw. De tekenkamer zat op de 5e verdieping weet ik
nog goed te herinneren. Het gebouw had diverse ingangen. Voordat ik hier kwam
te werken moest ik eerst een sollicitatie ondergaan. Dat gebeurde in het
bijzijn van de heer Mulder, de technisch directeur van het uitzendbureau.
Allereerst moet ik nog even vermelden dat er toen destijds naast een
reiskosten- ook een reisurenvergoeding werd gegeven.
Voor het eerste uur werd niets gegeven, maar de volgende uren werden uitbetaald
als zijnde gewone werkuren. Dus, hoe langer de reistijd, hoe meer je verdiende.
Dit was ook een van de redenen waarom ik graag zover mogelijk van huis werkte.
De totale reistijd van Breda naar Rijswijk en weer terug was zeker zo’n 3
uur bij elkaar. Dus ik had elke werkdag voor zo’n 2 uur extra aan
inkomsten. De reistijd naar Rijswijk stond dus gewoon vast. Dat was gewoon even
’n kwestie van tevoren uitrekenen. Doch ene heer Vermin,
waarbij ik ondere andere solliciteerde, had een
andere mening toegedaan en zei botweg: “Breda-Rijswijk is een half uur
reizen en terug ook weer ‘n half uur. Dus, wij vergoeden geen
reisuren.” Dat zei hij op een manier dat ik er bijna van moest kotsen.
Een ‘etter’ van het zuiverste water. Mijn baas (de heer Mulder) en
ik waren verbouwereerd en hadden het er verder maar niet meer over. Dat viel
later wel te regelen. Als ik eerst die werkplek maar kreeg. Dat was even het
voornaamste. Enfin, ik kon daar beginnen. Er werkten daar ongeveer 10 mensen op
die tekenkamer. Maar ik merkte al snel dat de ene nog meer
‘gestrest’ was dan de andere. De afdelingschef daar was ene heer
Peeters. Hij leek als twee druppels water op onze toen destijds zeer populaire
politicus Hans Wiegel. Zelfde gezicht, zelfde bril, zelfde postuur, zelfde kleren
en dezelfde streken! Achteraf hoorde ik van daar aanwezige collega’s dat
hij terstond, nadat Hans Wiegel zo enorm populair werd, doelbewust op hem wilde
lijken. Een zeer eigenaardig persoon was het, die bovendien de hele
‘tent’ daar behoorlijk kon ‘opnaaien.’ Iedereen kon hem
wel ‘schieten’ en die mening was ik ook heel snel toegedaan.
Doordat ik het tekenvak
al wel aardig onder de knie had en vrij snel en goed werk kon afleveren, had ik
in principe niet zo veel last van hem. Ik voelde aan mijn ‘water’ dat
hij mijn aanwezigheid wel kon waarderen, maar liet er geen woord over los.
Slechts ’n maand of twee heb ik hier gewerkt. Zelfs één uur
voordat ik het bedrijf definitief zou verlaten was ik nog met een tekening
bezig. Hij stond naast me om allerlei aanwijzingen te geven van wat er nog
allemaal op die tekening bij moest komen. Toen het klokslag vijf uur was zei
hij: “laat de rest maar zitten. Dat werkt morgen een ander wel even
af.” Ik stond zowat te koken, maar hield me in. Plotseling zei hij:
“Ja, we hadden er over gedacht jou te vragen om bij ons in vaste dienst
te komen.” Ik reageerde gelijk met de woorden: “sorry, maar ik ben
liever uitzendkracht!” Achteraf gezien een heel diplomatische uitspraak.
Maar in feite had ik willen zeggen: “man, flikker op met je
klerezooitje!” Ik kan nog heel goed herinneren dat ik naar de lift
toestapte, daarin ging, om daarna heel erg ontspannen mijn weg te vervolgen
naar het station toe. Ook had ik de gedachte van: eens maar nooit meer. Ik werd
bovendien niet eens in de gelegenheid gesteld om afscheid te nemen van de daar
aanwezige collega’s op die tekenzaal. Mijn volgende werkplek werd
Adviesbureau Van Vark te Voorburg. Daar ging het toch
wel even anders aan toe. Dit verslag komt er heel snel aan.
Kees Wittenbols.
Mei 2007
Ga naar: Adviesbureau
Van Vark - Voorburg*